Hoe een Tiende naar de Tempel wordt gebracht

Ki Tawo

beeldmerk Parasja

Ki Tawo (Dewariem 26:1-29:8) opent met de opdracht om na de Intocht in het Beloofde Land de eerste vruchten in een mandje te leggen en naar de priester te brengen in de Tempel. Bikoeriem komt van het woord ‘bechor’, eerstgeborene, eerstgerijpte, eersteling dus.

De opening: “En het zal zijn (wanneer je in het land zal komen…) ” (wehaja) wordt als een uiting van vreugde gezien. Vreugde om de aankomst in het land en het zich er vestigen. En vreugde om de vele weldaden die dat land de inwoners geeft: “Een land vloeiende van melk en honing” (26:9). 

Overigens is de verwijzing naar melk en honing niet direct wat je zou verwachten in de context van de opdracht om eerste vruchten te brengen. ‘Honing’ kan in deze context dan ook als zoete vruchten gezien worden, zoals de rabbijnen dit al elders als dadelhoning zien. 

graan en boomvruchten 

Want het gaat vooral om graan en boomvruchten in eerste instantie, waarover we eerder in Dewariem wel een beschrijving vinden als soorten die vooral met het Beloofde Land worden verbonden (de ‘zeven soorten’):

“Een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land van olierijke olijfbomen en (dadel)honing…” (8:8). Een vreugde en overvloed die met de ander moet worden gedeeld: “de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe…” (26:13).

Via een ingenieus systeem van tienden moest de opbrengst van het land gedeeld worden met behoeftigen. Hiervoor had men de zesjarige cyclus van agrarische activiteit – het zevende jaar is immers een rustjaar, een Sjabbatjaar (Sjemita) – in twee gedeelten van 3 jaar ingedeeld.

In het eerste en tweede  jaar werden Eerste Tienden afgedragen aan de Levieten en een Tweede Tienden moest door de eigenaren naar Jeruzalem worden gebracht en daar opgegeten. Indien dit niet mogelijk was kon men de waarde van de af te dragen landbouwproducten in tastbaar geld/edelmetaal omzetten waarmee men naar Jeruzalem ging. Daar werden deze gespendeerd aan ter plaatse gekochte producten. In jaar drie en jaar zes worden de Tweede Tienden vervangen door de Armen Tienden. Een soort belastingsysteem zou je kunnen zeggen…

plantenrijk naar hoger niveau 

Mystici zien in deze bikoeriem een terugbrengen van de fysieke wereld naar haar Goddelijke oorsprong, naar de zuivere staat van meteen ná de Schepping, voor de zonde van ‘het eten van de Boom van Kennis’. Door de bikoeriem wordt het plantenrijk naar een hoger niveau gebracht – het verheffen van de vonken in de Schepping en deze weer verbinden met de bron.

offer van Kajin

Het plantenrijk is weer de voedingsbron van het dierenrijk en de mensheid. Het brengt ons ook terug naar de eerste offers van het plantenrijk – het offer van Kajin (Bereesjiet 4):  

“En na verloop van tijd bracht Kajin van de vruchten van de aarde aan de Eeuwige een offer/geschenk; En ook Abel bracht er een van de eerstelingen van zijn kleinvee en van hun vet/beste gedeelte; en de Eeuwige wendde zich welwillend naar Abel en zijn offer, maar op Kajin en zijn offer sloeg Hij geen acht…” (Bereesjiet 4:3-5). 

De uitkomst is bekend – het leidt tot het eerste geweld tussen mensen, broers nog wel… 

Met de bikoeriem wordt het offer van het plantenrijk alsnog geaccepteerd door God en vindt een zuivering/verheffing plaats van het plantenrijk en daarmee met de beide rijken erboven – de dieren en mensheid. De verkeerd gerichte energie naar geweld zal door de mens nu constructief gebruikt worden. 

nooit gebeten

Dat de bikoeriem naar de Tempel moeten worden gebracht is nu begrijpelijker. De Tempel vertegenwoordigt de gezuiverde wereld van voor de zonde te midden van een wereld die nog niet zo ver is. In de messiaanse tijd zal de agressie tussen dier en mens en dieren onderling echter hersteld zijn. Daarom werd er volgens de Misjna nooit iemand in Jeruzalem gebeten door een slang of schorpioen. Als teken van iets van een herstel van de verstoorde relatie tussen de mens en de slang na de zonde – en in bredere zin met alle schadelijke dieren voor de mens. De heiligheid van Jeruzalem – als uitvloeisel van de Tempel(berg) – maakt deze ervaring volgens de Misjna mogelijk. 

In de messiaanse tijd zal dit allemaal anders zijn in de hele werkelijkheid: 

“Dan zal de wolf bij het schaap verblijven en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen samen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; De koe en de berin zullen samen weiden, hun jongen zullen zich samen neerleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op mijn gehele heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis van de Eeuwige, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken…” (Jes. 11:6-9). 

Rabbijn A.I. Kook* zag hierom alleen het plantaardige offer – de mincha – terugkeren in de Derde Tempel. 

nog relevant zonder Tempel?

Mooie ideeën en visie, maar wat doen we ondertussen- hoe zijn de bikoeriem nog relevant in onze tijd zonder Tempel? Rabbijnen geven daar verschillende antwoorden op. De klassieke rabbijnse teksten geven twee voorbeelden die in dezelfde richting wijzen: het aanbieden van geschenken/giften aan geleerden en het aanbieden van gastvrijheid aan geleerden. De Geleerden staan dan voor de Priesters en de gift/geschenk staat symbool voor de eerstelingen van de vruchten.

Een andere mogelijkheid wordt in de Midrasj het gebed als equivalent van bikoeriem. Ook gebed gaat over dankbaarheid en eersten – het begin van de dag kan je op andere manieren vormgeven dan gebed: in bed blijven liggen, rustig ontbijten, joggen – om maar een paar voorbeelden te geven. Je kiest er voor uit dankbaarheid voor deze nieuwe dag om de eerste momenten aan gebed te besteden, als geschenk/offer aan God. 

Andere suggesties zijn uiteraard ook welkom…


*(noot van de redactie) stond bekend als Rav Kook, Brits mandaatgebied Palestina, 1865 – 1935)

Over Leo Mock 13 Artikelen
Volgde een opleiding aan een jesjiwa (Talmoedhogeschool) in Israël, studeerde Joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit en oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). In december 2015 promoveerde hij cum laude aan de Tilburg University op een proefschrift, getiteld 'Het begrip Ruach Ra'a in de rabbijnse responsaliteratuur van na 1945: een case study in de relatie tussen kennis over de fysieke wereld en traditionele kennis'. Leo heeft verschillende publicaties over jodendom op zijn naam en is betrokken bij het tijdschrift Tenachon, een uitgave van PaRDeS, een stichting die zich inzet voor het ontsluiten van Joodse bronnen voor een Joods en Christelijk publiek en het bevorderen van de interreligieuze dialoog. Hij is docent judaica aan de Tilburg University en bij Joods Educatief Centrum Crescas. Sinds 2012 is hij adviseur Joodse Zaken van Beth Shalom.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*