Het recht, het recht en niet anders dan het recht!

Shofatiem (Devariem 16:18 - 21:9)

beeldmerk Parasja

In onze parasja Shofatiem – het Hebreeuwse woord “shofatiem” betekent “rechters” – gaat Moshé door met het klaarstomen van de Israëlieten voor hun aanstaand verblijf in het Beloofde Land. Verschillende zaken komen in deze parasja aan de orde:

  • hoe een koning over de Israëlieten aan te stellen en de excessen waarvoor een koning zich moet behoeden e.g. niet te veel paarden, teveel vrouwen en/of zilver en goud bezitten. De koning moet niet hooghartig worden en trouw en stipt volgens de Torah leven (Dev. 17:14 -17:20)
  • de zorg voor de Levieten, die immers geen aandeel hebben in het erfgoed van Israël, valt op de gemeenschap die hen in hun levensonderhoud moet voorzien
  • de waarschuwing aan de Israëlieten om zich niet in te laten met de praktijken van de verdreven volkeren van het Land namelijk: kinderen door het vuur laten springen, sterrenwichelarij, waarzeggen, bezweringsformules, geesten van de doden oproepen etc. De Israëlieten hebben dat allemaal niet nodig nu ze de Eeuwige hebben als hun God. Die praktijken zijn de Eeuwige dan ook een gruwel (Dev. 18:9 -18: 16). Moshé maant de Israëlieten om in volkomen harmonie met de Eeuwige te zijn ( Dev. 18:13).
  • De belofte dat God altijd profeten, net als hij (Moshé), te midden van de Israëlieten zal laten opstaan. En: hoe een valse profeet van een echte te onderscheiden? Antwoord, heel simpel: als datgene wat de profeet namens God voorspelt niet uitkomt, dan was dat nooit het woord van God.
  • De verplichting om drie ( en later nog eens drie andere ) vluchtsteden in het Land in te richten voor eenieder die per ongeluk doodslag begaat; hen aldus behoedend voor bloedwraak. Opdat er geen onschuldig bloed vergoten wordt in het Land en de bloedschuld op de Israëlieten terechtkomt.
  • regels over rechtsgeldige getuigenverklaringen (Dev. 19:15- 19:21). Het adagium “een getuige, is geen getuige” voor geen enkele zonde of vergrijp geldt tot op de dag van vandaag. De Torah zegt dat er minimaal twee of drie getuigen moeten zijn die hetzelfde verklaren, wil de rechter “na een nauwkeurig onderzoek” (Dev. 19:18)  kunnen vaststellen wat er is gebeurd en kunnen vonnissen.
  • welke regels er in de oorlog gelden; met o.a. de regel dat mannen die nog hun huis moeten inwijden en/of de eerste vruchten van hun wijngaard moeten plukken en/ of hun verloofde nog moeten huwen, dat eerst moeten doen voordat ze ten strijde trekken. Ook lezen we dat mannen die bang zijn kunnen beter thuis blijven opdat ze de andere soldaten niet met hun vrees besmetten.  
  • Parasja Shofatiem eindigt met het vraagstuk van wat te doen als het vermoorde lichaam van een onbekende in het open veld wordt gevonden. De Torah draagt ons op om ook hier met zorgvuldigheid en rechtvaardigheid op te treden. Zaak is ook hier de schuld voor onschuldig vergoten bloed uit je midden te doen verdwijnen.

Steeds draait het in deze zeer verschillende situaties om de vragen: wat is recht en rechtvaardig in deze situatie, binnen deze context? Hoe kom je er achter? Wie stelt vast wat recht en rechtvaardig is? En wat doe je als iemand zich niet aan de vastgestelde regels houdt? Hierover gaat parasja Shofatiem. De kernzin van parasja Shofatiem is: 

 “Zoek het recht en niets anders dan het recht” (Dev. 16:20, Nieuwe Nederlandse Bijbelvertaling 2021) 

Die zoektocht naar recht en rechtvaardigheid is allereerst een kwestie van rechtvaardige regels en/of onderricht in de geest van de Torah, maar dat niet alleen. Recht en rechtvaardigheid vergen een onderliggende structuur die de regels in de praktijk toepast. Een structuur die de mensen als het ware hun recht geeft en hen die zich niets aantrekken van het recht daarvan de consequenties laat voelen. Niets gaat vanzelf. Dat wist Moshe als geen ander.

Parasja Shofatiem vangt dan ook aan met een opdracht: “Benoem in al je poorten (= al je plaatsen, steden etc) rechters en gerechtsdienaren die het volk berechten volgens rechtvaardige rechtsprincipes” (Dasberg, Devariem 16:18). De NBV 21 spreekt over het aanstellen in alle steden van “rechters en griffiers” die zorg moeten dragen voor  “zuivere rechtspraak” (Deut. 16:18, NBV 21).

Shofatiem wijdt vervolgens uit over de voorwaarden waaraan deze rechters en gerechtsdienaren moeten voldoen. Ze moeten zich aan wet en recht houden, “het recht niet ombuigen”. Ze mogen niet partijdig zijn, noch voor omkoping vatbaar zijn (Dev. 16:19), want, zo lezen we in de tekst “omkoping verblindt de ogen van de wijze”. Ze moeten een uitvoerig onderzoek instellen alvorens te oordelen (Dev. 17:4, Dev. 19:18). Ze mogen niet op basis van horen zeggen of enkel één getuigenis vonnissen ( Dev 17: 7). Ze moeten een zaak aan een hoger, deskundiger tribunaal voorleggen wanneer die voor hen te moeilijk is of wanneer ze er zelf niet meer uitkomen (Dev. 17:8-10). Ze moeten de wet (laten) toepassen “om het kwade uit Israël te verwijderen” (Dev. 17:12).

Recht en rechtvaardigheid vergen dus een tweeledige inspanning die in elkaars verlengde liggen en elkaar wederzijds beïnvloeden: de formulering/ aanwezigheid van rechtvaardige rechtsprincipes en de benoeming van integere mensen om die principes in de praktijk te brengen. Het eerste gaat niet zonder het laatste en omgekeerd. Recht en rechtvaardigheid vergen bovendien dat er voldoende mensen zijn om het recht te doen gelden – niet voor niets luidt de opdracht van Shofatiem om rechters en dienaren te benoemen in “al je poorten”.

We hoeven in het door verschillende crisissituaties getergde Nederland anno 2022 niet al te ver te kijken om het gelijk van de Torah te zien. Een slecht, onrechtvaardig beleid dat door veel mensen wordt uitgevoerd, wordt daardoor nog niet goed – zie bijvoorbeeld de Toeslagenaffaire. Een goed beleid op papier kan lijden onder het feit dat er geen of onvoldoende mensen zijn aangesteld om dat beleid uit te voeren – zie bijvoorbeeld het aangiftebeleid ter voorkoming van racisme en discriminatie inclusief antisemitisme. En dan heb je die situaties waarin én het beleid niet deugt/onrechtvaardig is én er niet voldoende overheidsdienaren zijn om het beleid uit te voeren. Het beschamende, rechtsstaat schendende, drama van de opvang van asielzoekers in het Asielzoekerscentrum (Azc) Ter Apel is hiervan een sprekend voorbeeld. Extra beschamend is dat het Ter Apel drama een door de Nederlandse overheid zelf gecreëerde crisis is die ze zelf in stand houdt – aldus een gezamenlijk rapport van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Raad voor Openbaar Bestuur dat vorige week verscheen. Te lang is er gewerkt met een onduidelijk, vrijblijvend wettelijk kader, was er te weinig geld beschikbaar voor de opvang van asielzoekers, werd de opvangcapaciteit stelselmatig afgeschaald en werd tegelijkertijd bezuinigd op de kosten van het personeel van de COA en de IND, aldus dit rapport dat vorige week verscheen.

Recht en rechtvaardigheid hebben een prijskaartje dat klaarblijkelijk maar al te vaak niet wordt betaald. De consequenties worden door de hele samenleving gedragen.

Terug naar Parasja Shofatiem. Het zoeken naar “het recht en niets dan het recht” (Deut. 16:20 NBV 21) is van levensbelang, want zo lezen we in datzelfde bijbelvers: dan zul je blijven leven en mag u het land, dat de Heer, uw God, u zal geven in bezit nemen” – aldus de Nederlandse vertaling van Deut. 16:20) in NBV 21. De Nederlandse vertaling van Dasberg van dit bijbelvers luidt: “Alleen maar naar rechtvaardigheid moet je streven opdat je in leven blijft en het land in bezit kunt houden, dat de Eeuwige, je God, je geeft”.  Hier de implicatie van niet alleen je leven, maar ook het reeds gegeven Land kunnen verliezen als je niet naar rechtvaardigheid streeft.

Genoeg “food for thougth” zou ik zeggen. 

Sjabbat sjalom.

Over Maria Cuartas 17 Artikelen
Geboren in Havana, Cuba, opgegroeid op Curacao. Familie met Cubaanse, Spaanse, Curaçaosche en Sefardische wortels. Studeerde Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Woont en werkt in Amsterdam sinds 1985. Thema’s: het leven in brede zin met aandacht voor het Joodse daarin - maar niet alleen dát.

3 Comments

  1. Maria, mooi overzicht ook voor de hedendaagse jurist! Dank je wel.
    Wel grappig: de Israëliten mogen zich niet inlaten met waarzeggerij. Tegelijkertijd is een valse profeet eraan te herkennen dat zijn VOORSPELLING niet uikomt! Het gaat dus kennelijk niet om de toekomst voorspellen, maar om degene die het doet!? Vraag: zou het er ook mee te maken kunnen hebben dat waarzeggerij vaak door vrouwen werd (en wordt) gedaan?

    • Ha Barteline, zo had ik het nog niet bekeken: waarzeggerij weggezet als een gruwel omdat die vooral door vrouwen werd/wordt gedaan. Weet echter niet of de Torah aan gender-onderscheid doet 😄. In de Torah vinden we hier en daar ook vrouwelijke profeten. In de tekst van Shofatiem staat dat God de Israëlieten altijd een profeet “zoals ik” (= zoals Mozes) zal zenden – dwz iemand die net als Mozes een direct lijntje met God heeft. Op basis daarvan kan een profeet dan zeggen: dat en dat heb ik van de Heer gehoord en zo en zo gaat het gebeuren. Wanneer die profetie/voorspelling niet uitkomt, kan je vaststellen dat er geen direct lijntje met God was en dat de profetie dus vals was. Fake news avant la lettre!

  2. In deze mooie en interessante uitleg van parsjat שֹֽׁפְטִ֣ים (sjoftiem) wordt het Hebreeuwse woord omgezet in ‘Shofatiem’.
    Over het algemeen is de transliteratie van שֹֽׁפְטִ֣ים: sjoftiem, of sjofetiem om de ‘sjwa’ onder de /פ/ uit te spreken.
    Mijn vraag: is er een speciale bedoeling mbt het gebruik van de transliteratie ‘shofatiem’?

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*