Karl Kraus, een ongenadige profeet 

schilderij van Miro gezien in Wenen, 2014

Karl Kraus ((1874-1936) was een vlijmscherpe satiricus die zowel de machtigen als de miserabelen voor het gericht van zijn satire sleepte. Tijdens zijn leven al een legende, aanbeden of beschimpt door zijn tijdgenoten. Bij alle tijd- en plaatsgebondenheid van zijn bijtende kritieken, aforismen, toneelstukken en performances is zijn werk tijdloos vanwege het onwrikbare pacifisme, zijn verdediging van de geest tegen elke vorm van ontmenselijking en zijn gelijkstelling van zuivere taal met zuiver denken. Naadloos van toepassing op de Europese actualiteit.

Leugenpers

Karl Kraus werd in 1874 uit Joodse ouders geboren in Jicin, ten noordoosten van Praag. Drie jaar later verhuisden ze naar Wenen, waar Kraus de rest van zijn leven zou doorbrengen, de stad waarmee hij een brisante haat-liefde verhouding ontwikkelde. Hij studeerde, maar niet af, wilde acteur worden, maar was daarvoor niet goed genoeg, en kwam in de journalistiek en literatuur terecht. Hij deed naar eigen zeggen aan ‘schriftelijk acteren’, waarbij hij zijn eigen en andermans werk als een groot cabaretier in meer dan zevenhonderd performances in Wenen en later in alle grote steden van Europa presenteerde. 

Kraus was ervan overtuigd dat de invloedrijke krachten van zijn tijd niet te vinden waren in parlementen, maar op krantenredacties. Daar werd het kapitaal en de regering gecontroleerd, en de publieke opinie, de kunst en wetenschappen beïnvloed. Bovendien werd daar, op die krantenredacties het denken, de smaak en de verbeelding gedood. 

Karl Kraus - Wikipedia
Karl Kraus

‘Journalisten schrijven omdat ze niets te zeggen hebben en hebben niets te zeggen omdat ze schrijven.

Waarom heeft de Eeuwigheid deze misvormde eeuw niet geaborteerd? Haar moedervlek is een krantenlogo, haar eerste ontlasting is drukinkt en in haar aderen vloeit inkt.

Hoe wordt de wereld geregeerd en de oorlog in geluisd? Diplomaten liegen tegen journalisten en geloven deze leugens als ze die gedrukt zien staan.’

N.B. Alle cursief gedrukte citaten in dit artikel uit het werk van Karl Kraus zijn ontleend aan: Karl Kraus, Ich bin der Vogel, der sein Nest beschmutzt, Wiesbaden 2013. Eigen vertaling.

Die fackel

Kraus wees al vroeg het aanbod af om voor de prestigieuze krant Neue Freie Presse te komen werken. Hij richtte een eigen tijdschrift op, Die Fackel, waarvan het eerste nummer op 1 april 1899 verscheen. Hij engageerde een groot aantal schrijvers en kunstenaars – waaronder Heinrich Mann, August Strindberg en Oskar Kokoschka -, maar die droegen nooit meer bij dan hooguit eenderde van de inhoud. En van 1911 tot 1936 bevatte het in klein formaat uitgegeven periodiek uitsluitend nog bijdragen van Kraus zelf, want, zo schreef hij: ‘Ik heb niet langer medewerkers. Ik placht jaloers op hen te worden. Zij stoten de lezers af die ik graag zelf wil kwijtraken.’ De zevenendertig jaargangen van de Fackel vormen soort een doorlopende autobiografie, een onnavolgbaar persoonlijke geschiedenis van Oostenrijkse affaires, en is één grote satire op de journalistiek, vaak middels het genadeloos fileren van elders verschenen artikelen, waardoor het toch nog flink wat medewerkers had, zij het tegen hun wil. Daarmee beschreef hij ook de langzame en onvermijdelijke ontbinding van een oude, overleefde politieke, sociale en culturele structuur, van het zeshonderdjarige Habsburgse Rijk. 

Jodendom

In 1899 zwoer Kraus het religieuze Jodendom af. Als geassimileerde Jood hekelde hij het Zionisme van Theodor Herzl. Hij werd zowel uitgemaakt voor een ‘schitterend voorbeeld van Joodse zelfhaat’ als voor een ‘aartsjood’. Om het extreme en apocalyptische in zijn werk te begrijpen, is het zeker van belang zijn ‘joodsheid’ te onderkennen: ‘Kraus viel zijn eigen volk op dezelfde manier aan als de bijbelse profeten dat deden, als zij de Israëlieten hekelden om de niet verdiende trouw die God in hen had gesteld.’ 

(aldus Frank Field in The Last Days of Mankind: Karl Kraus and His Vienna, London 1967, geciteerd bij in Harry ZohnKarl Kraus, Half-Truths & One-and-a-Half Truths, selected aphorisms, Chicago 1990, blz. 7, waaraan dit artikel meer te danken heeft.)

In 1911 bekeerde Kraus zich tot het katholicisme, om die kerk elf jaar later weer vaarwel te zeggen uit protest tegen haar ‘verderfelijke deelname aan het pseudo-artistieke en toeristische aspect van het Salzburger Festival’. 

Een van de belangrijkste thema’s in Kraus’ werk was de in zijn ogen heersende perverse, dubbele seksuele moraal van een door mannen overheerste maatschappij, met haar schaamteloze inbreuk op de privacy en haar sensatiebeluste pers. Hij stelde zaken aan de orde die vandaag nog actueel zijn: vrouwenrechten, kindermisbruik, en zelfs ’homo-bevrijding’. En hij waarschuwde tegen de vooruitgang met de profetische woorden; ‘De vooruitgang viert Pyrrusoverwinningen op de natuur’. En deze, hoe actueel in het digitale tijdperk: ‘De ontwikkeling van de technologie zal slechts een probleem laten bestaan: de zwakte van de menselijke natuur’. 

Keerpunt Eerste Wereldoorlog

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 betekende een keerpunt in Kraus’ leven en creativiteit. Van juli 1915 tot juli 1917 werkte hij aan een groot theaterstuk bestaande uit 209 scènes en vijf akten, getiteld Die letzten Tage der Menschheit, dat begint met de stem van een krantenjongen en eindigt met de stem van God. Het speelt zich af in de straten van Wenen en Berlijn, brengt honderden karakters van alle standen en beroepen ten tonele die zeggen wat zij gewoonlijk zeggen, een gigantische collage, de fotomontage van een wereld die zich letterlijk een weg naar de ondergang baant. 

Field daarover: ‘De scènes zijn afwisselend lyrisch, prozaïsch, komisch en tragisch en overal sijpelt galgenhumor doorheen. Er is geen plot, het gaat van korte bijtende aforismen naar lange betogen, er wordt gejodeld en gespot. Patriottische pastores van het soort van “prijs-de-Heer-en-geef-de-munitie-eens-door” dragen namen van roofvogels’ (in Zohn, 13-14). De eerste vrouwelijke oorlogscorrespondent bij het Oostenrijkse leger die het in haar verslagen heeft over de ‘gewone man’, de ‘bevrijde menselijke geest’ en de ‘hartstocht van de ervaring’ temidden van menselijke degradatie, verwoesting en dood, was een dankbaar object van Kraus’ satire. 

Aan het slot van  Die letzten Tage echoot God de woorden die de Duitse Keizer Wilhelm aan het begin van de oorlog sprak: ‘Ik heb het dit niet gewild’ 

In 1915 schreef Kraus:

Ik geloof: dat deze oorlog, als hij de goede mensen niet doodt, nog wel een moreel eiland kan scheppen voor de goeden die ook zonder die oorlog goed waren. Maar hij zal de hele wereld daaromheen zal veranderen in een uitgestrekt achterland van bedrog, slapheid en het onmenselijkste godslastering, doordat het kwaad van de oorlog wordt gecontinueerd en achter de de façade van idealen vet wordt en zich met nieuwe slachtoffers voedt. Ik meen dat in deze oorlog van vandaag de beschaving zichzelf niet vernieuwt, maar zichzelf spaart voor de beul door zelfmoord te plegen. Dat de oorlog meer is dan zonde: leugens, dagelijkse leugens waaruit drukinkt vloeit als bloed, de ene leugen de andere voedend, uitwaaierend, een delta naar het grote water van de waanzin. Dat deze oorlog van vandaag niets meer is dan een uitbraak van vrede en dat zij niet door vrede kan worden beëindigd maar door de oorlog van het universum tegen deze dollehondenplaneet! Dat er menselijke slachtoffers moeten vallen op een manier zonder precedent – niet betreurenswaardig omdat iemand anders ze naar de slachtbank leidt, maar tragisch omdat zij moeten boeten voor een onbekende schuld. Dat iemand die het ongekende onrecht dat zelfs de meest kwaadaardige van alle werelden zichzelf nog aandoet, voelt als een persoonlijke marteling, slechts één morele taak rest: zonder medelijden door deze angstig wachtperiode heen slapen tot hij verlost wordt door het Woord of door het ongeduld van God.’ (…)

Wat kan uit een wereldoorlog worden geconcludeerd? Niet meer dan dat het christendom te zwak was om hem te voorkomen. Vae victoribus [Wee de overwinnaars]’.

Waanzin

Bij het aanbreken van het Derde Rijk, in 1933, noteerde Kraus: ‘Mij schiet bij Hitler niets te binnen’, en: ‘Toen die wereld ontwaakte ontsliep het Woord.’ Bedroefd realiseerde hij zich de onverenigbaarheid van de menselijke geest met de onuitsprekelijke brutale en geestloze machtsstructuur aan de andere kant van Duitse grens. Daar kon zelfs hij met zijn scherpe geest niets mee of tegen beginnen. ‘Geweld is geen onderwerp voor polemieken, waanzin geen onderwerp voor satire.’ Opnieuw was de taal in levensgevaar. Kraus raakte in verwarring. Hij koos voor het eerst de kant van Oostenrijk, wat hem paradoxaal genoeg in de armen dreef van het klerikaal-fascistische bewind van kanselier Dolfuß. Toen die in 1934 werd vermoord, was dat een grote schok voor hem. Veel lezers keerden zich van hem en van Die Fackel af.  Kraus bereidde zich voor te ‘leven in een veilige zinsconstructie’ en probeerde – pathetisch en vergeefs – het woord tegen het zwaard in stelling te brengen. Na een lange periode van fysieke en geestelijke uitputting stierf hij op 12 juni 1936 aan hartfalen. 

Field: ‘In de twaalf jaar na Hitlers machtsovername gebeurden dingen die zelfs de meest pessimistische inzichten van deze satiricus te buiten gingen: de bouw van een concentratiekamp in Buchenwald rondom Goethe’s beukenboom, de vernietigingsmachine van Auschwitz, waar elders in het kamp het orkest Weense deuntjes speelde – dat wordt allemaal een klein beetje verklaarbaarder na het lezen van de werken van Kraus.’ (in Zohn, p 20).  

Lang voor het daadwerkelijk gebeurde, noteerde Kraus: ‘De vooruitgang maakt portemonnees van mensenhuid’.


cover: fragment uit schilderij Joan Miro, Albertina Museum Wenen 2014, foto Bloom

Over Kees Kok 27 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

2 Comments

  1. Dat ik dit stuk nu aantref ja in de vrijdagavond brief doet mijn Jiddische hart meer dan goed ,in een land waar geen onafhankelijke pers meer bestaat [ de kranten zijn conglomeraties van opgestapelde woorden die zich verbeelden de real samenleving te beschrijven , maar ook met een hypocrisie van zg.discours werken ,die er niet is .
    Ja er is nog 1 onafhankelijk satirisch weekblad :Le Canard Enchaîné…
    De krant waarin ik veel literatuur vind over joodse geschiedenis en het hedendaagse être une Juif .

  2. Ik ben ergens in de jaren tachtig in Wenen geweest vanwege een prachtige tentoonstelling over de stad in de vroege twintigste eeuw. Heb daar onder veel meer, het dodenmasker van Karl Kraus gezien. Dat toonde, in tegenstelling tot wat ik verwachtte, een ontspannen, vredig gelaat.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*