Tellen, geteld worden, meetellen: het zijn allemaal woorden die belangrijkheid onderschrijven

Bemidbar

beeldmerk Parasja

Parasja Bemidbar is de eerste parasja van het gelijknamige boek in de Tenach dat in de christelijke traditie de naam ‘Numeri’ draagt. Beide benamingen zeggen iets wezenlijks over de aard van dit Bijbelboek. Bemidbar betekent in het Hebreeuws ‘in de woestijn’. De Israëlieten bevinden zich bij aanvang van onze parasja in de woestijn Sinaï. Een jaar eerder haalde God ze via Moshe uit de slavernij in Egypte. Ze zijn geen slaven meer, ze hebben de Torah op de Berg Sinaï ontvangen en nu zijn ze op weg naar het Beloofde Land. De vraag is: wat nu?

De meeste Israëlieten hebben (net als wij vele eeuwen later) geen idee. Ze zitten letterlijk in de woestijn en moeten veel leren voordat ze het Beloofde Land intrekken. Hun omzwervingen in de woestijn duren veertig jaren – al weten de Israëlieten dat bij aanvang van het Boek Bemidbar nog niet. In die jaren zullen ze veel bloed, zweet en tranen vergieten en de generatie van de Uittocht zal het Beloofde Land niet halen, maar onder de strakke leiding van de Eeuwige en Moshe wordt het Volk Israël gesmeed. Een eerste stap in die metamorfose van een zootje, ongeregelde individuen tot een volk is het houden van een census, een volkstelling – en dat verklaart meteen de Latijnse naam van dit boek ‘Numeri’. Later treffen we in het boek Bemidbar nog meer volkstellingen aan. 

De mannen worden geteld

Over die eerste census lezen we in Bemidbar 1:2 dat de Eeuwige zich in de woestijn Sinaï met Moshe in de tent-der-samenkomsten onderhoudt en hem de opdracht geeft om samen met Aharon en twaalf hoofden van de stammen van Israël, “het totaal van de Kinderen van Israël” op te nemen. Wie worden er geteld? Eerst alle families volgens hun stamhuizen, naar het aantal ingeschreven namen. Alle mannen hoofd voor hoofd. Iedere dienstplichtige in Israël van twintig jaar en ouder, volgens hun indeling in het leger. We lezen in onze parasja: “Hij telde hen in de woestijn Sinaï, zoals de Eeuwige het Moshe geboden had” (Bemidbar 1:19). En aldus komt Moshe tot een totaal van 603.550 mannen. De Levieten – die de Heer toebehoren, en zijn belast met alles de Mishkan (tempel) aangaande – zitten niet bij die eerste telling. Ze worden later apart geteld en Moshe komt dan op een getal van 22.000 Levieten.

In de Joodse traditie heeft dit tellen van het Joodse volk een positieve klank. Hoe vaak horen we niet zeggen: “Iedere Jood telt mee” of “iedere Jood heeft een unieke opdracht” of “iedere Jood moet serieus worden genomen”. Tellen, geteld worden, meetellen: het zijn allemaal woorden die belangrijkheid onderschrijven. De Middeleeuwse commentator Rashi zegt over de tekst van Bemidbar 1:1-1:2: “Omdat de Israëlieten de Eeuwige dierbaar waren, telde hij ze vaak”. Tellen is aldus een daad van liefde, van ertoe doen, van belangrijk zijn. Mooi.

En de vrouwen: tellen die ook mee?

Maar hoe zit het met hen die niet worden geteld? Hoewel de opdracht van de Eeuwige aanvankelijk luidt om “de hele gemeenschap van de kinderen van Israël” te tellen, betreffen Zijn nadere instructies enkel het tellen van de mannen boven de twintig jaar.

De vrouwen (maar ook de kinderen en de ouderen): die worden niet geteld. 

Hoe komt dat? Waarom telt de Eeuwige de vrouwen niet? Wat maakt dat Hij ze over het hoofd ziet? en in Zijn kielzog doen Moshe & Co. dat eeuwenlang ook. Horen vrouwen niet tot “de hele joodse gemeenschap”? Houdt de Eeuwige niet van hen? Vindt de Eeuwige ze niet belangrijk genoeg om te tellen? Is de Torah misschien niet voor hen geschreven? Stonden de vrouwen überhaupt wel bij de Berg Sinaï toen de Torah aan het Joodse volk werd gegeven? Immers, tot op de dag van vandaag horen we spreken over ‘de 600.000’ die op de Berg Sinaï de Torah ontvingen. Afgerond is dat hetzelfde cijfer dat voortkwam uit die eerste volkstelling in de woestijn Sinaï, waarvan we hebben gezien dat die slechts de mannen telde.  

Deze welhaast blasfemische vragen die bij mij opkwamen bij lezing van parasja Bemidbar zijn dezelfde vragen die generaties joodse vrouwen zich stelden. Het traditionele antwoord van onze rabbijnen was steevast dat het niet zo is dat de Eeuwige de vrouwen niet liefheeft, of dat vrouwen in het jodendom niet belangrijk zijn. Vrouwen zijn, zo stellen zij, gelijkwaardig aan de man, maar hebben andere taken in het leven en in de gemeenschap. Ze zijn voor het innerlijke, het spirituele en voor de handhaving van de Torah in de binnenwereld (en zo voeg ik eraan toe: voor het krijgen van joodse kinderen). Het tellen van de stammen vanaf Bemidbar 1:2 gaat daarentegen – zo zeggen onze rabbijnen – over het vaststellen van het aantal mannen dat beschikbaar/inzetbaar was voor oorlog en strijd; zaken die niet aan vrouwen waren voorbehouden. 

Onzichtbaar

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw stellen joodse feministen in Amerika, onder invloed van de joodse theologe en feministe Judith Plaskow, dit traditionele narratief ter discussie. Niet geteld worden zo stelden Plaskow en anderen met haar betekent onzichtbaar zijn, niet meetellen, buitengesloten zijn uit domeinen die het hart van de joodse gemeenschap uitmaken: het besturen van joodse organisaties, studiehuizens/yeshivas, aanwezig zijn op de bima in sjoel en de vormgeving van de joodse traditie door studie en leren van de Torah.

Te vaak zijn deze terreinen uitsluitend aan mannen voorbehouden en ontstaat de indruk dat joodse vrouwen niets aan het jodendom hebben bijgedragen. De traditionele joodse vrouw zorgt voor haar man en kinderen, bestiert het hele huishouden, is de steunpilaar van menige kiddush en vieringen, en houdt de organisaties en gemeenschappen draaiende waar mannen het gezicht van zijn. Niet gezien worden en daardoor niet meetellen impliceert ook dat joodse vrouwen in hun emotionele, spirituele en educatieve noden minder serieus worden genomen dan mannen en daarvoor ook minder ondersteuning krijgen van de joodse gemeenschap. Terwijl ook vrouwen – toegegeven, wellicht iets minder dan mannen – voor hun wellbeing bevestiging en erkenning nodig hebben.

In de hele wereld, en ook in Nederland, zijn er joodse vrouwen die de traditionele status quo best vinden, terwijl anderen met smacht wachten op het moment dat ze worden uitverkoren en eindelijk volledig gaan meetellen.

Uit de schaduw

Terug naar onze parasja Bemidbar en de vraag: waarom telt de Eeuwige de vrouwen niet? Waarom is het zo moeilijk voor vrouwen gemaakt? Of was dat precies de bedoeling van de Eeuwige, Baroech Hoe, dat we ons gingen afvragen waarom? De achttiende eeuwse kabbalist en Torah-geleerde rabbi Moshe Chaim Luzzatto (1707-1746) leerde dat de Heer, die enkel het goede met ons voorheeft, niettemin de wereld vol met moeilijkheden maakt. Niet om ons te straffen, maar opdat de mens die moeilijkheden zelf oplost en zich daarmee een groot genot verschaft. 

Want de Eeuwige weet in zijn wijsheid, zo stelt Luzzatto, dat de mens alles wat hij voor niets krijgt verfoeit en enkel dat waardeert wat-ie zich zelf verwerft en eigen maakt.

Zo bezien, kan de afwezigheid en onzichtbaarheid van vrouwen in parasja Bemidbar, worden beschouwd als een oproep van de Torah aan vrouwen om actief te onderzoeken hoe het met hun onzichtbaarheid zit en uit eigener beweging te bepalen welke mate van (on) zichtbaarheid in hun leven ze werkelijk voldoening geeft. 

Dit brengt me bij de Amerikaanse joodse feministen vanaf de jaren ‘80 van de twintigste eeuw. Plaskow c.s.bepleitten dat vrouwen uit hun onzichtbaarheid treden, door naar voren te stappen, zich een eigen Torah te verwerven, en hun plaats en bijdragen aan het jodendom – nu en in het verleden – duidelijk te articuleren. Mannen die achter hun vrouwen staan wanneer ze dit doen zijn voor Plaskow c.s. meer dan welkom.

Het begint echter met de vrouwen en de keuze om niet langer ongewild in de luwte te moeten staan. Als vrouwen die keuze niet zelf maken, zal niemand dat voor hen doen.

Over Maria Cuartas 16 Artikelen
Geboren in Havana, Cuba, opgegroeid op Curacao. Familie met Cubaanse, Spaanse, Curaçaosche en Sefardische wortels. Studeerde Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Woont en werkt in Amsterdam sinds 1985. Thema’s: het leven in brede zin met aandacht voor het Joodse daarin - maar niet alleen dát.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*