Kroniek van het vermoorde Poolse Jodendom door Jacob Glatstein (1896-1971)

serie Vermaarde schrijvers over het jood-zijn

still uit Three Minutes

De vader van Jacob Glatstein moedigde hem al vroeg aan om schrijver te worden, een populaire sport in het Rusland en Polen van zijn jeugd. Vooral omdat andere maatschappelijke wegen door het virulente antisemitisme waren geblokkeerd.

Dat laatste was een reden voor zijn ouders om de jonge Jacob in 1914 naar Amerika te laten emigreren, naar een oom in New York. Daar werd hij geleidelijk opgenomen in de omvangrijke Jiddisch sprekende Joodse gemeenschap en werd een van hun belangrijkste auteurs. Zie ook mijn eerdere bijdrage over Glatstein in De Vrijdagavond

Jacob Glatstein

Jacob Glatstein werd in 1896 geboren in het Poolse Lublin, toen onder Russisch bewind. Zijn voorouders van moederskant waren rabbijnen. Hij kreeg een traditionele, Joods-religieuze opvoeding.

Glatstein – inmiddels getrouwd, vader van drie kinderen en een rijk literair leven – werd door zijn familie teruggeroepen naar het sterfbed van zijn moeder in Lublin. Over de heenreis per schip schreef hij het boek Ven yash iz geforn (Toen Yash is gevaren), dat in 1937 werd gepubliceerd. Drie jaar later verscheen het tweede deel Ven jash iz gekumen (Toen Yash aankwam). Het eerste boek is in 2001 in het Nederlands met de titel De heenreis verschenen bij Vassallucci in de Jiddische bibliotheek. In 2010 verscheen de Engelse vertaling van beide boeken in één band, getiteld The Glatstein Chronicles, met een inleiding van vertaalster Ruth Wisse. Het is het gefictionaliseerde persoonlijke verslag van een Jiddische schrijver die na twintig jaar terugkeert in een land waar de Joodse bevolking in een steeds uitzichtlozer positie verkeert van armoede en onderdrukking, met Hitler aan de ene en Stalin aan de andere kant.  

Het eerste deel, waarin Yash verslag doet van zijn talloze ontmoetingen op zijn bootreis naar Europa, is even boeiend en aanbevelenswaardig als het tweede, maar laten we hier buiten beschouwing. Het gaat ons om Glatsteins weergaloze portret dat hij schetste van het Poolse Jodendom, de dieptepeiling van een enkele jaren later verwoeste en uitgemoorde wereld*. 

vanuit de goot

‘Nog vanuit de goot zal ik U lof toezingen, mijn Heer, zelf vanuit de goot.’  Met deze naar Psalm 130 verwijzende regel begint het tweede deel over Yash’ verblijf in Polen. Dat is het centrale thema: de belangrijkste personages in dit boek blijven hun God ondanks alles loven. Ze zijn op een zeer aardse wijze diep-religieus geworteld in hun rijke Joodse traditie. Mr. Steinman vertegenwoordigt die traditie op sublieme wijze. Hij is historicus en schrijver en vormt het stralende middelpunt van het gemengde gezelschap in het sanatorium-achtige hotel waar Yash tijdens zijn verblijf woont en waar Steinman jaarlijks komt kuren. De andere gasten hangen aan zijn lippen als hij vertelt over zijn studie en belevenissen op de hobbelige wegen van de assimilatie, en over zijn deelname aan het eerste zionistische congres in Basel, als boodschappenjongen van Theodor Herzl. Dat alles getuigt van grote wijsheid en humor, en van mededogen voor zijn arme Joodse landgenoten. Zijn grootste fan is Finkel, die geplaagd wordt een zeer dominante echtgenote die hij voortdurend als een vlieg probeert af te schudden, terwijl hij ter verontschuldiging tegen de andere gasten roept: dat is mijn tweede vrouw! Als Finkel vraagt waarom de Polen, die ‘pogromisten per instinct’, toch zo graag ‘in ons bloed baden’, antwoordt Steinman: ‘Waarom? Vanwege de sabbat. Zij haten ons vanwege het houden van de sabbat en zij haten ons vanwege het schenden van de sabbat, Zij haten de vrome Joden en de vrijdenkers die krab eten, zij haten onze kapitalisten en onze bedelaars. Soms heet hun ringleider Farao, soms Torquemada, soms Hitler – hij zij vervloekt’. En dan vertelt hij hoe hij zelf als kind een pogrom overleefde door zich in een kast in de synagoge achter boeken te verstoppen. 

Steinman heeft een leverkwaal, ongetwijfeld mede te danken aan zijn forse drankconsumptie. Telkens ontsnapt hij aan zijn dochter die met pillen in de aanslag over hem waakt. 

een lange droom

Yash koopt een graf voor zijn overleden moeder van een stel ‘moderne Joden die zo uit de pagina’s van de bijbel lijken gestapt’, en een half uur later trekt de rouwstoet door de straten van Lublin, die zwart zien van de mensen. 

Het is warm in Lublin. Na de begrafenis valt Yash op een heuvel in slaap en in één hallucinaire lange droom haalt hij jeugdherinneringen op, onder andere over de bezoeken aan zijn vader die in het Russische leger moest dienen en over zijn begintijd in de Nieuwe Wereld. In die droom doemt ook het theater van zijn jeugd op. In een schouwtoneel met een wisselend publiek waarop hij de souffleur is die zo geboeid is door het spel dat hij vergeet te souffleren zodat het stuk als een nachtkaars uitgaat.

Dan weer ziet hij een toneeltekst van hemzelf opvoeren, over een sjabbatmaaltijd waarbij ene Nachman aan zijn gast vraag wat er voor nieuws is in de wereld. Waarop de gast antwoordt: ‘De joden zijn niet bepaald gelukkig. De jongeren zijn op zoek naar God. Dat is een soort nieuwe mode van ze, zoeken naar God.’ Nachman: ‘Dat is niet erg Joods. Dat is een gojse manier van doen. Joden moeten niet teveel over God praten. Wij weten dat er een Schepper van de wereld is, en dat is dat.’

klaagzangen

Yash luistert naar de klaagzangen van straatarme Joden die hem allemaal vragen een familielid in Amerika te bewegen om geld te sturen. En hij ontmoet zijn voormalige leraren. Goldblatt, bijvoorbeeld, van wie hij Hebreeuws leerde en die een hele rits beroemde leerlingen telt, maar over zichzelf en de wereld niet tevreden is. ‘Ik kan niet ophouden met te vragen waarom. De wereld is een chaos, ik kan er geen patroon in zien. Ik schaam me een mens te zijn. Neem armoede. Wat ik met armoede bedoel? Nou, mensen die dromen van een beetje gekookt eten, een warme maaltijd, een korst brood. Ik weet dat dat al sinds onheugelijke tijden het geval is, en de zon komt op en de zon gaat onder, en de wereld marcheert voort en produceert lawaai en de mensen winden zich op. Het is ongelooflijk. Een mooie wereld die de honger niet heeft afgeschaft en toch de moed heeft zichzelf serieus te nemen.’

visionaire rabbijnenzoon

Tegenover de oude, zieke Steinman als personificatie van het Poolse Jodendom, staat de zestienjarige jongste telg van een uitgebreide rabbijnenfamilie, als personificatie van de enkele jaren later verloren gegane nieuwe generatie. Hij presenteert zich aan Yash als een ongelooflijk wijze wijsneus, barstensvol grote ideeën. Een stuwmeer van geleerdheid en creativiteit. ‘Wij zijn de filosofen en de redenaars onder de rabbijnen. Ik heb alle Joodse literatuur gelezen. Ik ken alles en iedereen. Ik wil het Joodse denken vernieuwen. Om te beginnen moeten wij de gojse fragmentarisering opdoeken. Een Joodse schepping moet alles zijn – poëzie, proza, filosofie, drama, psychologie, astronomie, epigrammen – alles. We hebben niets aan knusse kleine compartimenten. Wij moeten een creatieve encyclopedie zijn, een encyclopedie, maar wel een creatieve. Begrijpt u?’ 

De jongen beschrijft de visioenen die hij krijgt als hij in het bos mediteert. Zoals zijn ontmoetingen met Sabbatai Zwi en Jacob Frank – beruchte Joodse ‘ketters’. Als hij hen wijst op hun dwalingen komt er een klein Joodje aanrennen die hem vraagt hoe hij het in zijn hoofd haalt om die mannen te beschimpen. Ook zij probeerden op hun manier met al hun dwalingen de waarheid te dienen, door hem binnenstebuiten te keren. En dan roept het mannetje – nog steeds in dat visioen – de jongen op tot gebed en begint te bidden: ‘Gegroet, beste Vader, ik ben naar uw voorhof gekomen om u goedenavond te wensen. Het is vandaag een gewone woensdag. Joden zwoegen en handelen, niet voor zichzelf – God verhoede – maar voor hun vrouw en kinderen. Zij zitten tot aan hun nek in de zorgen en problemen en toch nemen ze de tijd om hun avondgebeden te zeggen. Dus nu vraag ik u, God, is het wel eerlijk om altijd maar weer bij ons aan te komen met de opmerking dat u ons hebt uitverkoren als uw volk? Wie had u anders moeten kiezen? Wie? Ken u een beter volk?’

lichtschakelaar

De rabbijnenzoon schreef veel gedichten en een flink aantal essays. In een daarvan legt hij uit dat alle uitvindingen in feite tot realiteit gereduceerde wonderen zijn. Zo is de lichtschakelaar uitgevonden voor onverlichte geesten om het voor hen gemakkelijker te maken om te geloven in het licht. Maar daarmee is het licht nog niet minder een wonder. Het bestaat ook zonder schakelaars.

Hij nodigt Yash uit de rabbijnenfamilie te bezoeken en die ziet dat de leden ervan elkaar liefdevol, maar gepassioneerd intellectueel de maat nemen. Als een zus, die lange tijd stilletjes zat te borduren, opeens het woord neemt, valt iedereen stil. Met een paar citaten van Leopardi, Bergson, Verlaine en andere dichters en filosofen spreekt zij recht door de strijdende broers allemaal deels gelijk te geven. 

iedere Jood moet hogepriester worden

In een laatste gesprek met Steinman spreekt deze over de behoefte van het Joodse volk aan een ‘warme, populaire literatuur, vol morele vertellingen, zoals in oude tijden’. 

‘Ons volk verdient werkelijk compassie, het is echt een tragisch volk. Ik zie hun verwarring, de chaos en de onzekerheid, de achteruitgang van de standvastige man van geloof met zijn wonderlijke vermogen om te volharden. Je kunt de erosie van het “beeld van God” niet ontkennen, de paniekerige vlucht uit het Jodendom (…) Wij moeten de geest van de profeten weer in ere herstellen –  let wel, van de profeten, niet van de profijten. Wij moeten protesteren tegen iedere vorm van onrecht, niet alleen die tegen onszelf bedreven. Wij moeten opkomen voor ieder levend schepsel. Al met al is het geen slechte specialiteit – het geweten. Iedere Jood moet een hogepriester worden. De anderen hebben één Christus uitgevonden aan één kruis, maar wij worden allemaal al eeuwenlang gekruisigd. Wij kunnen en moeten de belichaming worden van de hoogste zuiverheid, zodat wij hen kunnen overwinnen met louter morele kracht, zonder geweren, artillerie of straaljagers, met de herrezen stem van onze eeuwige profeten.’

een geloof dat de ziel voedt

Voor zijn terugkeer naar Amerika maakt Yash nog een stedentrip naar Kazimierz, in een koets, met medepassagier Neifeld, een advocaat die de stad goed kent en hem laat kennismaken met een schilderende schoenmaker, een vrome Jood die verzekert dat hij zijn kunst zou kwijtraken als hij zijn geloof zou verliezen. Ook Neifeld is begaan met zijn volk in nood: ‘Wij zijn intelligente kinderen, nóg hebben wij God in ons hart en wij hebben een geloof, een prachtig optimistisch geloof – niet alleen maar een religieus geloof, maar een geloof dat de ziel voedt en haar bewaart, zelfs in een hongerig, uitgemergeld lichaam. De Duitse Joden die alleen een bloedeloos Jodendom hebben bewaard, zijn er gelukkig mee. Maar dit is niet de tijd om ze te kapittelen. Natuurlijk moeten ze nu gered worden. Maar hoe kunnen zij vergeleken worden met de Poolse Joden wier warmte en spiritualiteit het goddelijke beeld van Joodsheid hooghouden?’

de dood van Steinman

Terug uit Kazimierz hoort Yash dat Steinman onwel is geworden en doodziek op bed ligt. Onder de van alle kanten toegestroomde menigte, bevindt zich ook de jongste zoon van de rabbijn en zijn broer, die een minjan bijeenroept om psalmen te gaan reciteren voor de stervende. ‘Wat mij betreft,’ zegt de jongen tegen Yash, ‘ik geloof helemaal niet in het nut van het storen van de Heer om niets. Het is niet goed om te marchanderen met de Almachtige. Mijn broer wil indruk op hem maken met een setje Psalmen, alsof hij die nooit eerder heeft gehoord (…) Ik moet mijn eigen woorden vinden als ik aanklop aan de poorten van zijn genade. De traditionele gebeden zijn gemaakt voor drukbezette mensen, mensen zonder eigen geest, mensen die niet uit hun woorden kunnen komen en daarom geleende woorden gebruiken. Ik zou liever een minjan van zwijgende mensen verzamelen. (…) Maar ik moet toegeven dat mijn broer een mooie stem heeft. En als hij in de hemel gehoord wordt, des te beter.’

vrolijk chassidisch lied

Als Yash de kamer van de stervende Steinman betreedt, wenkt die hem dichterbij en fluistert hem iets in het oor. Hij wil dat er gezongen wordt, een vrolijk chassidisch lied. Dat geeft Yash door. De geschokte rouwenden aarzelen. Steinman dringt aan, hij trekt gezichten alsof hij het lied zelf wil aanheffen. ‘Zijn gezicht was als een blad muziek’. En ze beginnen te zingen en met hun vingers te knippen. Dansen moeten ze, dansen, zingt Steinman Yash in zijn oren. En ze dansen. Het duurt allemaal slechts een minuut of twee, dan stopt het. Over Steinmans gezicht rolt een traan als laatste levensteken. ‘Hij is voorbij aan waar een lied nog komen kan.’ ‘s Nachts sterft hij. 

De volgende dag gaat Yash met zijn Amerikaanse paspoort op terugreis en moet de Poolse Joden in hun uitzichtloosheid achterlaten: ‘Wat ik mee terugneem is een rijper soort droefheid dat pas komt na jaren kijken en luisteren, een droefheid die je bij de hand kunt nemen als goed gezelschap.’


Over Kees Kok 27 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*