Proces over het aloude bloedsprookje, insta posts en Joods éénzijn

Metsora

beeldmerk Parasja

Een roddelaar met huiduitslag, een Oekraïense fabrieksarbeider, een Russische opperrabbijn, een Misjna-geleerde en een antisemitische bloedsprookje. Ze wijzen allemaal op het éénzijn van het Joodse volk.     

Roddelen mag niet. Ook al lijkt het onschuldig en is het soms erg aantrekkelijk, het mag niet. De Parasja van deze week wordt Metsora genoemd en bespreekt de wetten omtrent Tsara’at. Tsara’at is een onnatuurlijke uitslag die kan verschijnen zowel op de huid van mensen, als op muren van huizen en op kleren. Een koheen moet het inspecteren en dan een uitspraak doen in hoeverre deze uitslag wel of geen rituele consequenties heeft voor de drager/eigenaar. De geleerden geven aan dat Tsara’at een spirituele oorsprong heeft, het ontstaat als gevolg van roddelen. 

Rabbijn Shlomo Ganzfried, auteur van Kitzur Shulchan Aruch, vestigt onze aandacht aan een bijzondere afwijking in hoe de Tora de wetten van Tsara’at introduceert. De Tora begint met de woorden “ אָדָ֗ם כִּי־יִֽהְיֶ֤ה בְעֽוֹר־בְּשָׂרוֹ֙ שְׂאֵ֤ת אֽוֹ־סַפַּ֨חַת֙ א֣וֹ בַהֶ֔רֶת  Als een mens een zwelling, uitslag of een lichte plek op zijn huid heeft…” Het eerste woord ‘Adam’ is ongebruikelijk. Adam betekent inderdaad mens, maar meestal gebruikt de Tora een ander synoniem zoals ‘איש או אשה – een man of een vrouw’ Waarom kiest de Tora hier Adam? Rabbijn Ganzfried ziet hierin een indringend inzicht in de ernst en hoe kwalijk roddelen en laster spreken is.    

De Tsar’s zondebok 

Eerst even een historische omweg…  

Op zaterdag 12 maart, 1911 verdween de 13-jarige Andrei Yushchinsky op zijn weg naar school in Kyiv. Acht dagen later werd zijn verminkte lichaam ontdekt in een grot nabij de Zaitsev steenfabriek. Een tragedie. Wat dit gebeurtenis van historisch belang maakt, heeft alles te maken met het proces dat hierop volgde. Antisemitische politieke krachten sprongen op dit geval om een haatcampagne op te wekken. Vooraanstaande Russische kranten publiceerden beschuldigingen tegen de Joodse gemeenschap, inclusief het aloude bloedsprookje dat Joden christelijke kinderen ritueel offerden om het bloed te gebruiken voor de matses met Pesach. In juli van dat jaar werd een zondebok gevonden. Menachem Mendel Beilis, een Joodse arbeider werd gearresteerd nadat een lantaarnopsteker de verklaring aflegde dat Beilis en Yushchinsky samen waren gezien. Dat was genoeg om Beilis van moord te beschuldigen. 

Er was geen livestream noch waren er insta posts, toch werd het proces op de voet gevolgd over de hele wereld. Het was een groots gebeuren. Alle kranten stonden vol met verslagen en opiniestukken. In november 1913 werd Beilis eindelijk vrijgesproken. De euphorie van de vrijspraak bracht een golf van vreugde over de hele Joodse wereld. Mijn opa kon zeventig jaar later nog vertellen hoe er in het plaatsje Beshinkovitz in Wit Rusland op straat werd gedanst om de vrijspraak te vieren. 

Deskundigen 

Zowel het OM als de verdediging maakten gebruik van deskundigen als getuigen. Om meer kracht te zetten bij de bewering dat Joden christelijke bloed gebruikten bij het bereiden van matzes, schakelde het OM de ‘deskundigheid’ in van een priester uit Tasjkent, Justinas Praneites. Rabbijn Ja’akow Mazeh, hoofdrabbijn van Moskou, werd door de verdediging ingeschakeld om het fabeltje te ontkrachten. 

De volgende komische episode geeft een idee van de ‘deskundigheid’ van Praneites. Tijdens het proces vroeg de vertegenwoordiger van de verdediging: "U citeerde uit het boek Bobbe Batra. Vertel ons alstublieft in welke periode leefde deze omaatje Batra?" De priester, trapte erin: "Ik weet niet in welke periode zij leefde, maar ik begrijp niet waarom dit relevant is voor het proces dat hier gaande is". De zaal barstte in lachen uit, zelf de rechter kon het niet tegenhouden toen hem uitgelegd werd dat 'Bobbe Batra' de Aramese naam is van een traktaat uit de Talmoed en niets heeft te maken met het Jiddisch woord Bobbe.

Een belangrijk moment in het proces was wanneer de katholieke ‘deskundige’ beweerde dat voor hem Joden heidenen zijn, geen mensen. Om dat te bewijzen citeerde hij de woorden van Rabbi Sjimon bar Jochai [met betrekking tot de wetten van reinheid en onreinheid]: “Jullie [Joden] worden Adam genoemd, maar de heidenen worden geen Adam genoemd.” Een ontegensprekelijke bewijs dat niet-Joden als niet-mensen worden beschouwd, volgens Praneites. Het moet dus niemand verwonderen, vond hij, dat een christelijke jongen dood gemaakt wordt voor hun religieuze rituelen.

Rabbijn Mazeh reageerde als volgt: “In de Heilige taal zijn er vier synoniemen voor ‘mens’: drie daarvan kunnen zowel in het enkelvoud als in het meervoud geformuleerd worden. (Gewer, gewariem. Ennosj, Annasjiem. Iesj, Iesjiem) Maar het woord Adam kent geen meervoudige vorm. (Er bestaat geen woord als Adamim) Het begrip Adam, waarbij enkeling/gemeenschap niet gescheiden kunnen worden, is alleen bij Joden van toepassing. Heidenen worden als individuen gezien – ieder voor zich. Niet zo voor Joden!”

Verwantschap enkeling/gemeenschap 

“Edelachtbare,” zette Rabbijn Mazeh zijn pleidooi voort “kijk wat er hier aan de hand is; Mendel Beilis werd beschuldigt van een misdaad. Wie zit op de beschuldigde bank? Niet alleen Beilis, maar het hele Joodse volk, zelfs Rabbi Sjimon bar Jochai wordt erbij gehaald! In elke synagoge over de hele wereld heerst er angst en zorg. Is dit niet een bevestiging van de stelling van onze wijzen dat het Joodse volk één persoon is?!”

Dit is de kern van de uitleg  van Rabbijn Shlomo Ganzfried waarom de Tora het woord Adam kiest bij het introduceren van de wetten van Tsara’at. Iemand die zich bewust is van het begrip Adam zal zich niet schuldigmaken aan roddelen en kwaadsprekerij. Wie doordrongen is van het fenomeen dat enkeling/gemeenschap niet gescheiden kunnen worden, zal niet in de verleiding komen om ‘de ander’ bespottelijk te maken. Wie roddelt er nou over zichzelf?

Het gaat altijd over ‘de ander’. En daar begint de glijdende schaal. De onnatuurlijke Tsara’at-uitslag die verschijnt op de kleding, muren of huid van mensen, is een teken dat de houding van deze Adam ongezond is. Een bezoek van of aan de kohen – de kampioen van liefdadigheid en broederschap – is daar de remedie voor!  


Over Shmuel Katzman 12 Artikelen
Rabbijn Shmuel Katzman is geboren in Brooklyn, New York en groeide op in Crown Heights, waar hij ook zijn rabbinale opleiding volgde. In 1994 werd hij als sjaliach van de Lubavitcher Rebbe uitgezonden naar Nederland. Hij is rabbijn van de NIG Den Haag en coördinator van JLI, het Joods Lern Instituut, de Nederlandse tak van Chabad-organisatie The Rohr Jewish Learning Institute.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*