Franz Rosenzweig over Jood-zijn: het is iets in de mens, iets onweegbaar kleins en toch onmetelijk groots

abstracte foto van donker naar licht

Franz Rosenzweig werd op 25 december 1886 geboren in Kassel. In 1913 heeft hij serieus overwogen om zich, net als veel andere geassimileerde Joden – waaronder zijn grote vriend Eugen Rosenstock – te laten dopen, maar daar kwam hij snel van terug. Hij vond het feitelijk overbodig. De Joden waren immers altijd al daar, waar de christenen via Jezus wilden komen: ‘bij de Vader’. Hij bleef Jood en heeft zich de rest van zijn leven sterk gemaakt voor de Joodse Bildung. ‘Bildung’ is een veelomvattend begrip, het betekent vorming, ontwikkeling, beschaving, opvoeding, onderricht. 

‘de Ster’

Het bekendste en belangrijkste werk van Franz Rosenzweig is Der Stern der Erlösung (1921). Hij schreef het tijdens zijn diensttijd als ziekenverpleger in de Eerste Wereldoorlog vanuit de loopgraven op een eindeloze serie postkaarten. In dat moeilijke, maar grootse theo-filosofische boek speelt het Jodendom de hoofdrol.

Franz Rosenzweig circa 1910

‘De Ster’ eindigt met de woorden ‘ins Leben’, het leven in. Dat ziet Rosenzweig voortaan als zijn opdracht: de Joodse levensleer vertalen naar het leven van alledag, daartoe wilde hij leraar zijn. In 1920 begon hij in Frankfurt zijn Freies Jüdisches Lehrhaus.

Joodse vorming

in 1922 publiceert Franz Rosenzweig een open brief onder de titel Bildung – und kein Ende (Pred. 12, 12). Hij signaleert daarin het probleem van het gebrek aan Joodse vorming op alle fronten en in alle vormen. Dat was volgens Rosenzweig dé Joodse levenskwestie van dat moment. ‘De nood is hoog, de tijd dringt, er moet een geneesmiddel gevonden worden,’ roept hij. ‘En daarbij hebben we vandaag minder dan ooit behoefte aan boeken en meer dan ooit, nee, even hard als ooit, mensen nodig, Joodse mensen.’ 

geen scheidsmuren

De ‘Joodse mens’ is volgens Rosenzweig geen mensensoort die zich tegen andere laat afgrenzen. Er mogen geen scheidsmuren tegen anderen worden opgetrokken. Geen getto van binnenuit. De Joodse mens is niet af te grenzen tegen de Duitser of de Fransman. Als Jood is hij mens, als mens is hij Jood. Zijn Jood-zijn is een zwakke of sterke, maar onbegrensde, kracht in hem. Hij vindt zijn grenzen alleen aan de mens die even onbegrensd wil zijn als hij zelf, zoals de christelijke en de ‘heidense’ mens: over alle scheidslijnen van volkeren en staten, talenten en karakters heen. 

Rosenzweig wil het Jood-zijn van de Joodse mens niet beperken tot uiterlijkheden. Het is niet iets wat zich laat vatten in een ‘religieuze literatuur’, zelfs niet in een ‘religieus leven’. Het is ook geen ‘confessie’ waartoe men zich bij de burgerlijke stand kan ‘bekennen’. Het is geen vak en geen leefsfeer. ‘Het is iets in de mens, iets onweegbaar kleins en toch onmetelijk groots. Het is zijn meest ongrijpbare geheim, dat desondanks tevoorschijn komt in elk gebaar en ieder woord, het meest in de minst nadrukkelijke. Het Joodse is niet te vatten in boeken maken, noch in boeken lezen. Er wordt zelfs niet – mogen alle moderne geesten mij vergeven – ‘beleefd’, hoogstens ge-leefd. Misschien zelf dat niet. Men is het.’ 

literatuur bemiddelt

Dat het Jood-zijn óók de Joodse literatuur omvat, is omdat het er altijd geweest is en er altijd zal zijn. Boeken zijn er om te bemiddelen tussen verleden en toekomst, ‘tussen het gewordene en het wordende’. Maar het leven zelf, de dag, het heden, de actualiteit heeft geen boeken nodig. ‘Tussen verleden en toekomst brandt de vlam van de dag die zich slechts voedt uit het begrensde materiaal van het ogenblik. Zonder haar vuur zou de toekomst gesloten blijven, zonder haar licht het verleden onzichtbaar. Alleen vanuit de lettervrije geest van het ogenblik ontvangt de wetenschap en het onderricht kracht en leven.’ Maar, analyseert Rosenzweig: doordat het onverdeelde Joodse leven, de eenheid tussen huis met zijn religieuze Joodse leven en de synagoge verbroken is, is de Joodse vorming en studie verkommerd. 

draagbare vaderland

Volgens Rosenzweig, nog steeds in de Open Brief van 1922, begrijpt het zionisme heel goed dat de Joodse mens zelf het enige is wat aan de Joodse mens nog gezond en heel is. Maar, zegt hij, omdat het zionisme alle heil ziet in de richting van een aparte staat isoleert het de Joodse mens, ook hier in Europa al. ‘Men geeft hem de gelegenheid Joods te wandelen, Joods te turnen, te spreken, te lezen. In plaats van het ‘draagbare vaderland’, zoals men het geheel van wet, huis en cultus heel goed heeft getypeerd, geeft men hem een draagbare vaderlandsloosheid. Zo is de Joodse mens voor het zionisme tenslotte toch iets negatiefs, iets wat zich afgrenst en daardoor slechts iets dat beperkt is. Voor vandaag geldt, aldus Rosenzweig, dat men de Joodse mens, de hele in zijn heelheid, hier en nu serieus neemt. Maar hoe?’ 

allerbescheidenst begin

Franz Rosenzweig houdt vervolgens een pleidooi voor een nieuw begin van Joodse vorming, waaraan hij in 1920 in zijn Freie Jüdische Lehrhaus in Frankfurt, is begonnen. Hij wil nu een stap verder, nog meer afstand wil nemen van de planmatige vorming. Rosenzweig zet zijn vrije-leerhuis-idee af tegen de Joodse ‘volkshogeschool’ in Berlijn, dat met succes gebruik maakt van de onbegrensde lezingenhonger van het grotestadspubliek. Zij biedt een compleet systeem van cursussen een leerplan. Maar zij kan volgens Rosenzweig met de beste wil van de wereld toch slechts een surrogaat worden voor iets wat normaal gesproken op een andere plaats gegeven zou moeten worden: in de verloren eenheid van thora, huis en synagoge. Haar ontbreekt de levende kracht om een eind te maken aan de oneindige boekenwereld. Alleen vanuit die kracht kan de vorming haar levende, boekloze aanvang nemen: uit het middel- en kiempunt van het Joodse leven van de Joodse mens.

vertrouwen

Rosenzweig schrijft:

‘Om het hoogste te bereiken moet begonnen worden met het allerbescheidenste begin. Elk plan is hier bij voorbaat verkeerd, omdat het een plan is. Want het hoogste laat zich niet plannen. Daartegenover is bereidheid werkelijk alles. Alle recepten – de orthodoxe, de zionistische, de liberale – brengen, naarmate zij receptmatiger worden gevolgd, des te belachelijker karikaturen van mensen voort. Vertrouwen is het woord voor de bereidheid die niet naar recepten vraagt, niet ‘wat moet ik dan doen’ en ‘Hoe doe ik dat dan. ‘Het leeft in het heden en stapt met zorgeloze voeten over de drempel van vandaag naar morgen’.

Voor dat allerbescheidenste begin heeft de Joodse mens niets anders nodig dan het bereid zijn en de ‘lege vormen’ van tijd en ruimte, waarin iets kan gebeuren. Niets anders dan dat: een spreekruimte, een spreektijd. Dat is het enige wat van te voren te ‘organiseren’ valt. Heel weinig dus. Bijna niets.’ 

openbaar

Voor zo’n open leerhuis moet men dus vertrouwen hebben, afzien van alle plannen en wachten. Er zullen mensen komen, in wie de Joodse mens levend is. ‘Men biedt niets aan, men luistert. De woorden groeien aaneen en worden verlangens (Wünsche). Verlangens zijn de boden van het vertrouwen. Wie in staat is de stem van dergelijke werkelijke verlangens te horen, die zal ook wegen kunnen wijzen voor het vervullen ervan. Dat zal het moeilijkst zijn. Om dat te kunnen moet de leraar tegelijkertijd leerling zijn. Het is niet genoeg dat hij zelf “weet”, noch dat hij kan onderwijzen. 

De spreekruimte – het leerhuis – moet ‘openbaar’ zijn, zonder wachtkamer. ‘Wie komt wacht in de spreekruimte zelf, tot het ogenblik komt dat hij meepraat. Het spreekuur wordt gesprek.’ Die openbaarheid van het spreekuur is, aldus Rosenzweig, natuurlijk moordend voor het ‘bonzendom [de wetenschappelijke bobo’s], dat onze Jodenheid als de dood op de nek zit. Die jonge en oude grijsaards zullen zich hier gewoon niet aan wagen. Want hier worden vragen gesteld. En zij willen betogen. Hier wordt getwijfeld. En zij willen programma’s. Hier wordt verlangd.’ 

Rosenzweig anticipeert op de reacties die zijn voorstellen zullen krijgen: ‘Ik hoor de stemmen al die zeggen: wat vaag, wat onbestemd, wat mistig. En: hoe weinig.’ 

Maar misschien zegt deze of gene ook: ‘wat mooi’, en vraagt slechts twijfelend: ‘ja, als dat er zou zijn..’ Wel, zegt hij, het ligt aan hun en alleen aan hun of het er is. ‘Aan hun kracht om te verlangen, hun drang om te vragen, hun moed om te twijfelen. Komen zij niet, dan krijgt de oude Prediker ook wat onze generatie betreft weer eens gelijk. En, er komt geen einde aan het maken van boeken.’ 

verlamming

standbeeld van Juda Halevi in Israël

In 1922 openbaarde zich bij de zesendertigjarige Franz Rosenzweig een ongeneeslijke ziekte. Hij raakte daardoor geleidelijk verlamd, ook van zijn spraakvermogen. Hij kon al gauw zijn huis niet meer uit. Het vrije leerhuis draaide met onderbrekingen nog enkele jaren door, tot het in 1938 door de Nazi’s werd gesloten. 

Rosenzweig zou tegen alle verwachtingen in nog zeven jaar leven. In die jaren maakt hij onder andere een vertaling met commentaar van de gedichten van beroemde Jehuda Halevi (11e eeuw). En van 1924 tot zijn dood in 1929 werkt hij met Martin Buber aan een Duitse vertaling van Tenach die zo dicht mogelijk bij het Hebreeuws blijft. Hij had een heel systeem ontwikkeld om met hoofdgebaren letters aan te geven. Ze hebben het samen gehaald tot de lijdende godsknecht van Jesaja. Buber heeft dat werk voltooid. 

En het leerhuis? Dat is na de oorlog op talloze plaatsen teruggekeerd, ook in Nederland. Maar dat is een ander verhaal. 


cover: foto Bloom, Foam, januari 2019

Over Kees Kok 27 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

1 Comment

  1. Ik heb vroeger samen met ds Alex van Ligten geprobeerd Der Stern in het Nederlands te vertalen.Door Uw essay is me veel uit Der Stern duidelijker geworden.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*