In de duinen hebben die moffen ze allemaal neergemaaid

illustratie Mokum op de Gracht

27 maart 1943

De explosieven hebben we donderdag op tijd kunnen afleveren. En de injectiespuiten ook. Ergens bij de speeltuin in Zuid. De wagen lieten we midden op straat staan en we belden aan op de benedenverdieping met de dozen op onze schouders aan. Een buurman knikte vriendelijk goedendag. Hij had eens moeten weten wat er in die dozen zat. Nu is het verder afwachten. De sjabbes in de kazerne kroop voorbij. In de buurt hier is het nauwelijks nog zichtbaar dat het voor Jidden ooit sjabbes is geweest. Hier en daar loopt er nog iemand met een ster op over de gracht. Hoe gek het ook klinkt maar bij het zien van die meneer of die mevrouw denk ik dan onwillekeurig “zouden de moffen die over het hoofd hebben gezien”? Met al die leeggehaalde huizen moeten dit wel de laatste Jidden van Mokum zijn.

Mokum op de Gracht, een roman van Lody B. van de Kamp,
verschijnt in feuilletonvorm in De Vrijdagavond
Aflevering 51

Luuc heeft me vanmiddag ingefluisterd ‘ga maar een paar uur maffen. Vannacht zou het kunnen zijn dat je wakker moeten blijven’. Ik ben op mijn bed gaan liggen maar van slapen kwam niet veel. Mijn hele lijf voelde de spanning.

Het is al laat. De autospuit komt net weer terug van een fikkie in de Nieuwe Kerkstraat. Een baal lompen lag daar te roken in de kelder. De wagen wordt klaargemaakt om als het nodig is opnieuw uit te rukken. Voor mij is het wel duidelijk dat dit straks nodig zal zijn. Of de andere mannen dat ook weten? Ik heb geen idee. Luuc legt een kaartje met drie van de collega’s. Een ander, iedereen noemt hem Floris, staat een eitje te bakken. Van de ploeg liggen twee anderen op bed.

Er klinken doffe knallen buiten. En dan nog eens. Het lijkt niet dichtbij te zijn. ‘Pleuren die moffen weer hun bommen in de haven’?  ‘Daar lijkt het niet op, Floris. Heb jij vliegtuigen gehoord?’ Luuc gooit zijn kaarten op tafel. ‘Dit is op de grond. Ergens in de stad. Als de boel in de fik vliegt, dan horen we het zo meteen wel.’

beeld van aanslag bevolkingsr4egister
na de aanslag Bevolkingsregister Amsterdam (Foto Traces of War)

behoorlijke explosies

Nog twee knallen. ‘Dat is wel menens. Waar zijn die moffen nu weer mee bezig?’ Luuc rekt zich eens flink uit. ‘Als we er zo uit moeten, dan doen we maar langzaamaan. Vinden jullie ook niet?’ De maten kijken Luuc verbaasd aan. ‘Hé Zeeuw. Ga je staken of zo? Als het alarm gaat, gaan we. Punt uit.’ Floris gooit zijn spiegelei omhoog. Het landt precies in het midden van de koekenpan. Opnieuw een knal. ‘Dit komt uit de richting van de Plantage, ergens achter de Hortus. Het lijkt niet echt ver’, roept een van de spelers die nu ook zijn kaarten neerlegt. ‘Ik denk dat we ons maar klaar moeten maken. Dit zijn behoorlijke explosies.’ Ik probeer mijn gezicht recht te houden. Zouden dit míjn explosieven zijn die hun werk doen?

Het alarm gaat af. Het licht floept aan in de garage. “Twee autospuiten van hier. En er komen er nog twee van de post Uilenburg en twee van de Zeeburgerdijk. Uitslaande brand naast Artis. Explosies”. De deuren gaan open, de wagens rijden naar buiten. We springen erop. ‘De hulpbrandweer komt ook met haar spuiten’, roept Luuc.

De brug over de Nieuwe Herengracht staat open. Luuc grinnikt. ‘Dank je wel bruggenwachter. Dat fikkie wacht wel op ons.’ We rijden om naar het Weesperplein en vandaar de Sarphatistraat in. Die naam mag je van de moffen niet meer zeggen. De straat moet nu Muiderschans heten. Maar aan die mesjoggaas doen wij niet mee. Eenmaal om de hoek in de Sarphatistraat ruiken we de brand al. Op de Roeterstraat zien we de vlammen over de gracht al metershoog omhoogschieten. ‘De concertzaal van Artis staat in de hens’. ‘Nee, Floor, dat is nu het bevolkingsregister’ roept Luuc hem toe. Het lijkt dat Luuc mij een knipoog geeft. Maar ik weet het niet zeker. Wij komen gelijk aan met de spuiten van Uilenburg.

Aan de spuiten!

In de verte horen we de bellen van de andere autospuiten. Ik weet precies wat me te doen staat. De slangen uitrollen. Het valt me op dat er wel heel veel slangen worden uitgerold. We horen geen explosies meer. Na een tijd zijn de vlammen gedoofd. Maar we krijgen opdracht van de commandant om door te blijven spuiten. Ook wanneer de rookwolken zijn verdwenen moeten we toch doorgaan. Met grote hooivorken worden de stapels papieren, waarvan een deel is verbrand, door ons omgegooid terwijl er steeds meer water het afgebrande gebouw wordt binnen gespoten. De hulpbrandweer maakt zich klaar om weer te vertrekken. Maar wij moeten blijven. Nog meer water gaat het gebouw in dat nu helemaal lijkt uitgebrand te zijn. Dan klinkt het signaal. ‘Blijf bij je spuit. Even stoppen’. Op brancards worden een man of wat de straat op gedragen. Ze lijken niet gewond te zijn. Luuc heeft weer zijn bekende grijns op zijn ponem. ‘Dat zijn de bewakers. Die zijn vóór de aanslag al onschadelijk gemaakt. Nu mogen ze naar huis. Precies volgens plan.’ De ziekenauto’s met die mannen zijn nog niet vertrokken of de commandant roept ‘Aan de spuiten!’  En zo blijven we maar water in het gebouw pompen.

2 april 1943

We doen de deur stevig dicht. ‘Hier in jouw hutje zitten we wel even veilig.’ Luuc haalt de krant uit zijn binnenzak. ‘Fred, ook jij hebt goed je best gedaan’. De Zeeuw spreidt het blad  uit op het wankele tafeltje. ‘Hier heb je het in De Telegraaf. “Laffe aanslag op het bevolkingsregister van de Gemeente Amsterdam. De beveiliging werd onschadelijk gemaakt door de bewakers te verdoven. Door explosieven en het vuur is een deel van het archief beschadigd. Daarnaast is er veel schade door overtollig bluswater. Dit komt omdat de brandweer de brand als “grote uitslaande brand met explosies’’ heeft opgeschaald. Een groot deel van het archief  is in stand gebleven. ‘En’, zo meldt Reichscommissar Seyss-Inquart, ‘het beschadigde deel van het archief wordt weer aangevuld door de kopieën vanuit het Rijksarchief in Den Haag. Zo kan de gewenste Arbeitseinzats van werkers naar Duitsland en de Auswanderung der Juden ongestoord verder worden uitgevoerd. Alle noodzakelijke documentatie hiervoor blijft voorhanden’.”

verzetskrant Trouw

‘Dus het was allemaal voor niks, Luuc? Al die maanden voorbereiding met de risico’s die we allemaal hebben gelopen? Zo komen we toch nooit een stap verder?’ Luuc schudt zijn hoofd. ‘Dit is maar één versie van het verhaal. Kijk hier.’ Hij legt twee blaadjes op tafel van Trouw, de illegale verzetskrant. “De Nederlandse Regering spreekt vanuit Londen haar complimenten uit aan het adres van het verzet voor de moedige daad van een aanslag op het Gemeentearchief dat thans gevestigd is in de voormalige concertzaal van dierentuin Artis. Het verzet had zichzelf als voorwaarde gesteld dat er geen doden mochten vallen bij deze aanslag. Aan deze voorwaarde werd voldaan  door dienstdoende bewakers van tevoren door middel van injecties tijdelijk onschadelijk te maken. Met de brand en de medewerking van de Amsterdamse brandweer die vertragend optrad met ook een overtolligheid aan bluswater werd een groot deel van het archief onbruikbaar gemaakt. Het oproepen van arbeiders voor Duitsland, het opsporen van verzetslieden en het deporteren van andere landgenoten loopt hierdoor tot ergernis van de bezetter grote vertraging op.”

Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Wie heeft er nu gelijk? De Telegraaf of het illegale krantje Trouw. ‘Ach wat doet het er toe’, Luuc stopt de blaadjes en de krant weer weg. Wij hebben gedaan wat er van ons gevraagd is. Die moffen hebben er de pest in. En wij gaan ons voorbereiden op de volgende stap. Ergens volgende week komt de groep weer bij elkaar’.

30 juni 1943

‘Laten we hier gaan zitten, op de boomstam. Een beetje in de schaduw’. Ik ken Luuc goed genoeg om te weten dat hij wat te vertellen heeft. En vast iets ernstigs. Maar hij zwijgt. Ik staar hem aan. Nu vallen me de diepe rimpels in zijn voorhoofd op. Ook trillen zijn handen. Met een verbeten blik staart hij in de verte. Zijn ogen volgen de boot die langzaam uit het zicht verdwijnt. Hij kijkt mij niet aan. ‘De groep komt niet meer bij elkaar. Ze krijgen allemaal de kogel. Tenminste die lui die de moffen te pakken hebben gekregen. Een paar zijn ontsnapt en ondergedoken. Gré ook.’ Ik reageer niet. Die mensen met wie we in de schuur op de boerderij hebben gezeten. Met wie we alle plannen hebben gemaakt. ‘Krijgen ze allemaal de kogel?  Zijn ze allemaal veroordeeld?’ Ik kan dit niet bevatten. Luuc’s kin beeft. ‘Niet allemaal. Gerrit van de Veen is ontsnapt. En Nijhof ook. In totaal zijn twaalf man van de groep veroordeeld.’ Luuc slaat zijn arm om mijn schouders. Samen zitten we daar in de polder, een potje te janken.

3 juli 1943

‘Fred, het is gebeurd. In de duinen hebben die moffen ze allemaal een voor een neergemaaid. Maar het is echt niet voor niets. Wacht maar. Nog eventjes. Dan komen de geallieerden vast en zeker de grens over. En dan zullen wij die moffen laten zien wat wij met hén doen’.

Luuc zijn woorden kunnen mij op dit moment niet veel troost bieden.

(Wordt vervolgd)

Over Lody van de Kamp 94 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*