Naar deze vrijheid te leven. De Cleveringa-lezing van Ed van Thijn

Ed van Thijn boekomslagen

Wie denkt dat de politiek nu absurd is, moet Dagboek van een onderhandelaar: 25 mei – 11 november 1977 nog maar eens lezen. Ed Van Thijn schreef het in 1978 na de langste demissionaire periode ooit, slechts dit jaar historisch ingehaald. Ik pakte het boek tijdens de demissionaire periode op en was weer gewonnen door zijn inlevende stijl. De man kon veel, zeker ook goed schrijven, dat bewees hij onder andere in een belangrijke redevoering.

In 1997 hield Ed van Thijn de Cleveringa-lezing met de titel Ons kostelijkste Cultuurbezit: over tolerantie, non-discriminatie en diversiteit. In het kader van die lezing gaf hij in 1998 een keuzevak aan de Universiteit Leiden. Waarom begin ik over 1997, ver vóór 9-11? Omdat het nog steeds van waarde is, zoals ik op Twitter ontdekte.

nieuwe Joden

In januari van dit aflopende jaar, 2021, werd over de Cleveringa-lezing en het werkcollege door een Turkse student getwitterd naar aanleiding van het voorstel van de PVV om een ministerie van Immigratie, Remigratie en De-Islamisering op te richten. Het college van Van Thijn had destijds indruk gemaakt, niet alleen vanwege het boek The Clash of Civilizations van Huntington, maar ook omdat de stevige discussie tijdens een werkcollege tussen Van Thijn en een student die zo de oudere broer van Thierry Baudet had kunnen zijn, hoog opliep en mij levendig voor ogen bleef staan. Op een gegeven moment zei Van Thijn: “Moslims staan op het punt de nieuwe Joden te worden” en hij bleef de student, met priemende ogen vanachter zijn bril, doordringend aankijken. Met deze opmerking viel de zaal destijds helemaal stil. 

vele onderduikadressen

We weten dat Ed van Thijn met zijn passie voor politicologie een politiek icoon is van de jaren dat hij actief was. Eduard van Thijn werd 16 augustus 1934 in Amsterdam geboren als enig kind van een Joods echtpaar. Hij bezocht in 1940 de O.L. School in Amsterdam, maar het gezin verhuisde in hetzelfde jaar naar Bussum. Twee jaar en vele onderduikadressen later keerden ze weer terug naar Amsterdam waar ze in 1943 werden opgepakt en afgevoerd naar Westerbork. Ze ontkwamen aan de gaskamers doordat zijn vader uit de trein sprong en zijn vrouw en zoon vervolgens uit Westerbork wist te krijgen. Van Thijn zat daarna, gescheiden van zijn ouders, op achttien onderduikadressen. Na de bevrijding vestigde het gezin zich weer in Bussum en in 1947 bezocht Van Thijn daar het lyceum. Vanaf de vierde klas ging hij naar het Amsterdams Lyceum. Van 1953 tot 1961 studeerde Van Thijn aan de politieke sectie van de faculteit der politieke en sociale wetenschappen van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. In het kader van zijn studie liep Van Thijn in 1959 en 1960 stage in Parijs. Hij was toehoorder aan het Institut d’Etudes Politiques en hij verzamelde er materiaal voor niet één, maar drie scripties. 

Den Uyl

In zijn goede jaren was hij iemand die soms door roeien en ruiten ging om zijn doel te bereiken. ‘Een keiharde bestuurder als het nodig was,’ volgens Felix Rottenberg. Toch is zijn indrukwekkende politieke curriculum iets wat ik u niet wil onthouden. 

Al tijdens zijn studie ontmoette hij Den Uyl en ‘all the rest is history’. Na zijn studie werd hij in 1961 wetenschappelijk medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, terwijl hij in 1962 lid van de gemeenteraad van Amsterdam werd. Van 1965 tot 1971 was hij voorzitter van de PvdA-fractie in deze gemeenteraad. Zijn politieke carrière vervolgde hij in de landelijke politiek, als lid van de Tweede Kamer van 1967 tot 1983 en voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA van 1973 tot 1978. Na een kort ministerschap van Binnenlandse Zaken in het kabinet Van Agt II (1981-1982) werd hij burgemeester van Amsterdam.

burgemeester

Van de naoorlogse burgemeesters was hij het langst in functie, van 1983 tot begin 1994. Om precies te zijn tien jaar en zes maanden. Arnold d’Ailly (1946-1957) en Gijs van Hall (1957-1967) heeft hij met een kleine voorsprong geklopt, zoals zijn biograaf opmerkte. Zijn opvolgers, Schelto Patijn, Job Cohen en Eberhard van der Laan, hebben hun best gedaan Amsterdam in het spoor te houden. Ook hun lukte veel. Maar vriend en vijand zijn het erover eens dat het ‘het jongetje’ – zoals zijn voorganger Wim Polak Van Thijn wel noemde – is geweest die de zaak in de jaren tachtig op de rails zette, een burgemeester die ook tijdens de Bijlmerramp in 1992 leiderschap toonde.

In 1994 volgde zijn benoeming tot minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet Lubbers III. Datzelfde jaar trad hij af wegens de IRT-affaire. Daarna bekleedde hij functies als procesmanager bij Boer & Croon (1995-2000) en adviseur. De indrukwekkende carrière van een homo politicus.

hoogleraar

In 1997 werd hij benoemd tot hoogleraar op de Cleveringaleerstoel in de faculteit der sociale wetenschappen aan de Universiteit Leiden, waarmee ik begon en waar ik zo nog op terug kom. Vanaf 1998 was hij voorzitter van de Nederlandse Adviesraad van Humanity in Action. Van 1999 tot 2007 was Ed van Thijn lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

In zijn boek Publieke zaken, een bundeling van Van Thijns lezingen, voordrachten en publicaties uit 2001, klinkt de boodschap van de toenmalige burgemeester kort en krachtig: Je kunt nog zo geïntegreerd zijn, je kunt je aanpassen tot je een ons weegt, als de overheersende cultuur niet echt de ruimte biedt voor andere culturen, dan wordt het niets. De joden behoorden voor de Tweede Wereldoorlog tot de best aangepaste en meest geëmancipeerde burgers, in Duitsland in de eerste plaats – het baatte hen niets. De liefde en het respect moeten van twee kanten komen.

In Publieke zaken komen onderwerpen aan de orde die in zekere, mindere of meerder mate nog steeds actueel zijn: politiek en bureaucratie, de rol van de oppositie, de onmacht van het parlement, politiek leiderschap en zijn kijk op de multiculturele samenleving. Maar deze visie op de multiculturele samenleving blijkt hij het helderst uiteengezet te hebben in zijn oratie bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap op de Cleveringaleerstoel aan de Universiteit Leiden. 

vrijheid en recht

De hierboven geschetste herinnering van een student uit begin van dit jaar valt samen met mijn herinnering aan zijn rede in 1997, die ik als uitgever van Leiden University Press heb laten opnemen in het boek Cleveringa’s Koffer. Want op 26 november 1940 had de decaan van de Leidse rechtenfaculteit, Rudolf Cleveringa, zijn koffer al klaargezet. Cleveringa hield op die dag een rede uit protest tegen het ontslag van de Joodse medewerkers van de universiteit, met name dat van hoogleraar Eduard Meijers (1880-1954). Na zijn rede pakte hij zijn koffer en werd Cleveringa door de Duitsers gevangengezet. Met deze lezing wil de Universiteit Leiden jaarlijks het thema vrijheid en recht herdenken.

stoffenfamilie

Na mijn sollicitatiegesprek als uitgever bij Leiden University Press bedacht ik dat ik, in een publicatie, iets wilde doen met deze lezingen. Ik wist namelijk niets over de Leidse universiteit. De rede van Van Thijn las ik ter voorbereiding en misschien niet helemaal bij toeval. Ik had als kind op stoffenbeurzen deze destijds jonge en ‘good looking’ mijnheer wel eens gezien. Mijn moeder wees mij toen al op deze aanstormende politicus die op bezoek was bij zijn stoffenfamilie. Haar stem verraadde de hoop voor de toekomst van ons land, een soort Spes Patriae. Ik vond dat prachtig, een opklimmende carrièrejager die zijn familie in de stoffen niet verloochende. Deze persoonlijke anekdote geheel terzijde, koos ik om die reden zijn lezing en daarna die van Kees Schuyt over Democratische Deugden.

wie zwijgt stemt toe

De Cleveringa-lezingen bleken nooit gearchiveerd, verzameld of te boek gesteld te zijn. Kees heeft met Ineke Sluiter de selectie gedaan van het boek Cleveringa’s Koffer, Recht, vrijheid en verantwoordelijkheid. Een selectie uit de 26-novemberredes aan de Universiteit Leiden, 1940-2010, LUP 2016, en het voorwoord Naar deze vrijheid te leven, waarachtig gestalte gegeven. 

Van Thijn stelt de vraag waarom de principiële opstelling van Cleveringa vandaag-de-dag nog steeds van groot belang is en opent zijn rede met de woorden: “Toen de gemeenteraad van Amsterdam, kort na het ontslag van de Joodse raadsleden op 30 november 1940, bijeenkwam, zei de toenmalige burgemeester De Vlugt daar geen woord over. Geen woord van dank, geen woord van spijt, laat staan een woord van protest. Professor Cleveringa had toen zijn indrukwekkende rede – met alle risico’s van dien – al gehouden (…) De bestuurlijke elite van Nederland zweeg als het graf. Sterker nog de Duitse bezetter kreeg bij de anti-Joodse maatregelen volop medewerking.” 

over tolerantie

Niet alleen de titel Ons kostelijkste Cultuurbezit: over tolerantie, non-discriminatie en diversiteit spreekt nog altijd aan, maar de rede raakt de feiten van de vele pogingen om culturele verschillen in een samenleving te laten verdwijnen, die meestal tot mislukken gedoemd zijn. 

Als dit land van Erasmus, Spinoza, Coornhert al een ‘kostelijk cultuur bezit’ heeft, een nationale identiteit als men wil, ‘Nederlands geestesmerk’, om met Huizinga te spreken, dan behoort tolerantie zeker tot een van de wezenskenmerken.”

Daarna gaat hij in op dit begrip als ‘way of life’ en op handhaving van rechtsregels, kernwaarden en voorwaarden. 

Tolerantie dreigt een leeg begrip te worden als de overheid bij een botsing van grondrechten niet pal staat voor het recht van iedere burger om gevrijwaard te worden van discriminatie en/of rassenhaat.“

Van Thijn trok zijn conclusie uit ervaringen in de jaren ‘80 en ‘90. Dat geldt zowel voor het idee van volledige integratie, oftewel assimilatie, als ook voor de segregatie, waarin men accepteert dat de verschillende bevolkingsgroepen langs elkaar heen leven en men het ontstaan van getto’s op de koop toeneemt. 

In ons land, waar de illusie dat Nederland geen immigratieland zou zijn, tot in de jaren ’90 gold, heeft in het minderhedenbeleid door de jaren heen integratie met behoud van culturele identiteit steeds voorop gestaan. Een formule die het onderscheid tussen assimilatie en integratie markeert.

mozaïek-scenario

Vandaar dat Van Thijn het ‘mozaïek-scenario’ voorstelde, waarin de interculturele pluraliteit het uitgangspunt is omdat integratie met behoud van eigen identiteit niet echt levensvatbaar bleek. In zo’n mozaïek-samenleving zijn culturele verschillen vanzelfsprekend en leren burgers daar mee om te gaan, op basis van gemeenschappelijke normen, zoals gelijke rechten, respect voor elkaar en mensenrechten. In zo’n samenleving is het geen punt dat in het publieke domein zich een veelkleurigheid manifesteert, het is de norm. Ook waarschuwt hij dat het niet de eerste keer in de Europese geschiedenis zou zijn dat door gebrek aan standvastigheid van traditioneel-democratische partijen extreemrechts ‘salonfähig’ wordt gemaakt. Hij eindigt met de verzuchting dat de Zivilcourage, die Cleveringa opbracht onder omstandigheden die wij hopelijk nooit meer zullen meemaken, tot in lengte van dagen een inspiratiebron zal zijn voor ons kostbaarste cultuurbezit: tolerantie, non-discriminatie en diversiteit. 

Moslims staan op het punt de nieuwe Joden te worden.” Met deze opmerking viel de zaal destijds, maar ook nu nog, stil. Als je Van Thijns teksten leest, kun je geneigd zijn te denken: ja, zo zou het moeten. Maar als je om je heen kijkt, kun je nog steeds denken waarom gebeurt het dan (nog steeds) niet?

bang voor antisemitisme

Als ik uit mijn kantoor in de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam naar het zuidwesten tuur, zie ik kranen, bouwactiviteiten, nieuwe flatgebouwen en hotels die oprijzen. Ze doemen op waar eerst onze oude synagoge stond. Van Thijn stond aan de wieg van de bouwplannen van de ZuidAs, waar wij dit nieuwe gebouw hebben gerealiseerd. Joodse afkomst speelde een rol, vertelde hij in de jaren ‘90, lees ik in het NOS eerbetoon. “Ik was bang voor antisemitisme, zonder dat zich ooit een concrete aanleiding had voorgedaan, maar die angst droeg ik nu eenmaal met mij mee.” Dit las ik terug in de vraag die hij stelde ‘of democratische partijen, als puntje bij paaltje komt, toch weer zullen zwichten voor de waan c.q. de (electorale) angst van de dag.’ 

Liberaal Joodse Gemeente

Zoals zoveel Joden na de oorlog was hij niet religieus opgevoed en had hij de eerste helft van zijn leven zijn oorlogservaringen weggedrukt. Van Thijn was volledig geassimileerd, maar vanaf de jaren ‘90 meer bezig met jodendom en antisemitisme. In 2000 werd hij lid van de Liberaal Joodse Gemeente. 

Een burgervader is heengegaan, Baruch Dayan Emet, moge zijn herinnering en zijn teksten voortleven. Al wat hij schreef, raad ik aan om te blijven lezen, en zeker de rede uit 1997: verplichte kost niet alleen voor studenten, rechtsgeleerden, ambtenaren en politici van nu, maar vooral als inspiratiebron voor aanstormende politici en die van latere generaties.  


cover: Amsterdam in oorlogstijd. Kunstwerk van Gert Jan Kocken

Over Yvonne Twisk 3 Artikelen
Yvonne is adviseur Bestuur, Toezicht en Governance bij kennisplatform Cultuur+Ondernemen. Hiervoor was ze directeur van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam, en bij Penguin Books Netherlands, zakelijk leider van UvA Erfgoed en Atria, eneigenaar van TIM Art Management en House of Culture waar zij in opdracht adviseert. Zij studeerde klassieke talen, kunstgeschiedenis en bedrijfskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Yvonne helpt met name culturele organisaties, uitgeverijen en kunstenaars met coachend leiderschap en strategische of grensoverschrijdende dilemma’s.

4 Comments

  1. Mooi in memoriam voor een man uit een generatie van politici die helaas verleden tijd is: geletterde mensen met visie en een soort politieke moraal die nu jammerlijk ontbreekt.

  2. Na dit artikel zal ik nooit meer neutraal de naam van de ‘burg. de Vlugtlaan’ in de mond kunnen nemen of er overheen lopen of fietsen.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*