En waar gaat het heen met moeder de vrouw? De dag moet nog beginnen.

illustratie Mokum op de Gracht

Maandag 23 februari 1942

De wind heeft vrij spel in de weidse polder. In de verte voor oom Dirk en mij uit lopen, diep voorovergebogen, de twee gedaanten over de smalle weg. Rechts strekken zich achter de wilgen de rietvelden uit. Gerben draagt een klein koffertje in zijn ene en zijn houten gereedschapskist in de andere hand. Zijn vrouw Johanna drukt stevig het bundeltje tegen haar lichaam. ‘Als het goed is moeten ze er over een minuut of tien zijn. Zo nog langs de plas, en dan zien ze de hoeve liggen. Dat is nog ruim op tijd voordat Janus naar Dordt vertrekt. Janus zal het gezinnetje bij Johanna’s broer in de stad afleveren. Daar zien ze dan wel weer verder’. We zien hoe Johanna stil staat en een hoekje van de omslagdoek die om het bundeltje gewikkeld zit even terugvouwt. De kleine Gerben lijkt wakker te zijn worden maar slaapt nu toch weer door. Gauw wordt de doek over het kleine hoofdje heengetrokken. We zijn het stel nu dicht genoeg genaderd om te kunnen horen wat ze zeggen, ondanks de wind. ‘De kleine zal straks eerst moeten eten. En hij moet ook nodig een schone luier hebben voor dat we verder kunnen’.

Mokum op de Gracht is een roman van Lody B. van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op de Vrijdagavond

Aflevering 43

Oom Dirk en ik staan stil. We willen niet te dicht in hun buurt komen. Vier mensen samen op weg zo heel vroeg in de ochtend in de polder zou te veel opvallen. Vanachter de dijk klinkt de roep van ganzen. Het geklepper van hun wieken is boven het huilen van de wind uit te horen. Het wordt al een beetje licht. Het duurt zeker nog een half uur voor dat de ochtendschemering is opgetrokken. Nu staat Gerben stil, hij tuurt in de verte. Hoort hij iets verdachts? Geluid wat boven de wind, het geruis van de rietpluimen en de ganzen uitkomt? Ja, nu horen wij het ook. Is het het gebrom van een auto of verbeelden we ons dat? We kijken de weg af. Langs Gerben en Johanna. Heel in de verte buigt de weg af naar links. Tot aan de bocht is er in ieder geval niets te zien.

De vroege ochtend in de polder (Foto Shoshana)

Wij kijken om ons heen. Als we iemand tegenkomen, waar zouden we ons dan kunnen verstoppen? Aan de ene kant ligt de dijk met daarachter de zee en aan de andere kant van de weg achter de wilgen in de rietvelden is het veel te gevaarlijk. Voordat je het weet sta je daar tot je nek in het water. ‘Misschien moet ik ze roepen terug te komen tot bij de hut waar de rietbinders bij slecht weer schuilen. Daar zijn we straks langsgekomen’ bromt oom Dirk. Oom Dirk trekt mij van de weg en we proberen dicht achter de wilgen langs aan de rand van het riet zo dicht mogelijk bij Gerben en Johanna te komen. Gerben loopt weer iets verder maar stopt weer. Ook hij kijkt om zich heen. ‘Gerben, wat sta je daar nou? Straks missen we Johan’. ‘Ik weet het niet, Johanna. Hoor jij wat ik hoor’? Zijn vrouw knikt nu ook. ‘Ja, een auto. ‘Wie heeft hier midden in de polder een auto?’ Gerben schudt zijn hoofd. ‘ Nee, dat kunnen alleen maar moffen zijn’. Johanna klemt zich aan Gerben vast. ‘ En nu? Wat gaan we de moffen vertellen? We kunnen Dirk en Aatje toch niet verraden’? Gerben schudt langzaam zijn hoofd. ‘Nee, dat doen we niet. Zij hebben ons de afgelopen dagen gered. Geef mij de kleine. Johanna, wij geven het over aan de Heere’. Nu draagt Johanna de koffer en hij de kleine jongen. Langzaam worstelen zij tegen de wind in, verder in de richting van de hoeve. Nog steeds is er geen auto te zien. Maar het gebrom komt dichterbij. Dan schijnen de eerste lichtstralen om de bocht. Het heeft geen zin om te vluchten. Waar moeten ze heen? De auto komt snel dichterbij. Het is een kleine vrachtauto. Het dekzeil klappert in de wind. ‘Heere, Heere, bewaar ons in dit moment van benauwdheid’. De auto mindert vaart en stopt midden op de weg. Wijzelf staan nu niet ver achter het stel en verschuilen ons achter de wilgen. Ik schat de afstand tussen de plek waar wij nu staan en de auto zo een honderd meter. Gerben en Johanna staan zo een twintig meter voor ons. Zij kunnen geen kant uit. Een felle schijnwerper op het dak van de cabine wordt even ontstoken. De stralenbundel richt zich op Gerben en Johanna. Wij blijven onopgemerkt. De schijnwerper wordt weer gedoofd. Aan beide kanten van de cabine worden de deuren geopend. Een zestal Duitse soldaten stappen uit. Zij richten hun geweren op Gerben en Johanna. Johanna zet het koffertje op de weg en wringt haar handen. Het hoofd richt ze naar boven. O, goeie G’d als dat maar goed gaat. Ik bewonder Gerben. Deze staat kaarsrecht, hij toont geen spoor van angst. Eigenlijk net zoals hij toen tegenover Broekman in de kerk stond. ‘Karel, die Gerben, man, die heeft zich helemaal overgegeven aan de Heere.’ Johanna loopt naar voren en wil de kleine van hem overnemen. Maar Gerben draait zich met het bundeltje van haar weg. Er stapt nog een man uit de auto. Een wat zwaardere kerel in een donker uniform met zwarte glimmende laarzen. Dwars over zijn bovenlichaam loopt een brede leren koppel. Broekman, de NSB´er. Hij is het. Ik tril over mijn hele lichaam. Dirks hand glijdt naar zijn broekriem en trekt zijn revolver naar boven. De moffen schijnen ons inderdaad niet in de gaten te hebben. We staan goed verstopt opgesteld achter de wilgen. Johanna schuift haar arm in die van Gerben.

Broekman staat onvast op zijn benen. Ook zo vroeg in de ochtend heeft de jenever kennelijk zijn werk alweer gedaan. ‘Ha, daar hebben we de lijstenmaker’, klinkt het. Zijn woorden worden onmiddellijk gevolgd door een zware hoestbui. Broekman loopt paars aan. Als hij zich hersteld heeft gaat hij verder, met een dubbele tong: ‘Gerben, de lijstenmaker. Zo vroeg op pad? En waar gaat het heen met moeder de vrouw? De dag moet nog beginnen.’ Met een strak gezicht kijk Gerben de man aan, zonder te antwoorden. ‘Hé, ben je jouw tong kwijt? Een dag of wat geleden wist je drommels goed hoe je mij moest antwoorden’. Gerben maakt zich los van de arm van Johanna en geeft haar de kleine jongen aan. Nu staat hij recht voor zijn vijand. Gerben is een kop groter dan de man tegenover hem. ‘En, heb je jouw lijstje al gemaakt voor de foto van onze grote leider? Als je dat nou even aan me geeft dan kun je doorlopen’, grijnst Broekman. Gerben schudt zijn hoofd langzaam heen en weer. Zijn blonde krullen die onder zijn muts uitsteken wapperen in de wind. ‘Niks geen lijstje voor die landverrader. Een landverrader, net zoals jij. De Heere weet wat jij in deze donkere uren van de vroege ochtend alweer hebt uitgespookt. Hier, dit is voor jou’. Een volle gebalde vuist treft Broekman midden in het gezicht. Onmiddellijk klinkt een schot. Gerben zakt in elkaar, naast het gevloerde lichaam van Broekman. Johanna gilt en wil een van de soldaten te lijf te gaan. Opnieuw klinkt een schot. Ook Johanna valt op de grond, de omslagdoek met het kleine bundeltje komt naast haar terecht. Het rolt een stukje door en komt tot stilstand tegen de gereedschapskist.  

‘Willem! Die Broekman, heeft drie moorden op zijn geweten’! Willem plukt wat aan de haartjes onder zijn kin die bij het scheren zijn blijven zitten, buigt zich over tafel naar voren en schraapt zijn keel. ‘Ik weet het broeder, ik weet het als geen ander. Als boer van Nunen inderdaad ook niet meer leeft dan heeft die schoft inderdaad drie levens op zijn geweten. En die kleine van Gerben en Johanna? Die was er ook bijna geweest! Maar je weet ook hoe dominee hier over denkt. De moffen hebben het hier voor het zeggen vanwege de zonden van ons volk. We hebben ons maar te onderwerpen’. Oom Dirk zwijgt. Gerben dood. Johanna dood. Hun kind, de kleine Gerben, is tijdelijk ondergebracht bij de schoolmeester. En dominee mag daar niet mee lastig worden gevallen.

Van boer van Nunen heeft niemand iets meer gehoord sinds zijn arrestatie. De een zegt dat hij in Kamp Amersfoort gevangen zit. Anderen beweren dat hij al naar Duitsland is overgebracht en daar is vermoord. Maar die Broekman kan gewoon verder zijn gang gaan?!

De kat kijkt naar een ekster op de waslijn, recht voor het raam. Het dier springt op en krabt met zijn voorpoten tegen de ruit. De vogel verdwijnt achter de schutting naar de tuin van de buren.

Oom Dirk staat op, jaagt de kat van de vensterbank af. Hij sluit de tussendeur naar de winkel en loopt op zijn kousenvoeten terug naar de tafel. Hij staat recht tegenover Willem, buigt zichzelf naar voren en legt zijn grote handen naast elkaar plat op de tafel.  ‘Willem, wat dominee ook zegt. Hoe hij de Heilige Schrift ook verstaat, Broekman zal hier in het dorp niet nog meer slachtoffers kunnen maken. Luister naar wat ik zeg. Voor het einde van de week is Broekman verdwenen’. Willem schuift zijn stoel naar achter en staat nu ook op. ‘Is er iemand in de winkel’?  Dirk schudt zijn hoofd. ’Nee, alleen Aat, zij is bezig met het vullen van de olieblikken’. ‘Hendrikus, beste Dirk. Gerben was jong, te jong om te sterven. Maar was het niet allemaal heel onbedachtzaam wat hij heeft gedaan om zo die ellende over zichzelf en over zijn vrouw te brengen? Goed, hij wilde geen lijst maken voor Mussert. Maar die Broekman een mep te verkopen? Dan vraag je toch om problemen? Nu is hij dood en zijn vrouw is dood. En de kleine, die mag opgroeien in het weeshuis. Waar heeft dat nou allemaal toe geleid? Hendrikus, denk heel goed na wat je doet. Aatje heeft jou nog nodig. En Karel’, Willem wijst naar mij,  ’de jongen hier die de Heere aan jou heeft toevertrouwd, die is er ook nog. Daar ben je nu ook verantwoordelijk voor. Denk goed na, wat je ook doet.’ Met een sprong belandt de kat opnieuw op de vensterbank. De ekster is niet teruggekomen. ‘Hendrikus, luister. Wat je ook doet. Ik hou natuurlijk mijn mond. Maar, waarschuw me van tevoren. Zul je dat doen? Ik begrijp drommels goed wat er zo door je heen gaat. Maar denk aan diegenen die je lief hebben’. Willem zet zijn pet op, schuift zijn voeten in zijn klompen en loopt het erf af.

Luuc staat in de winkel. ‘Jij hier Luuc? Heb je een paar dagen vrij?’ Luuc wenkt me. ‘Kom mee naar buiten. Ik moet je spreken. Daarom ben ik vanochtend naar het zuiden gekomen.’ Ik schrik. Wat bedoelt de Zeeuw? Speciaal voor mij is hij naar Zeeland gekomen. We lopen in de boomgaard. ‘Het is niet goed in Mokum. De politie is nog steeds op zoek naar jou. Je vader hebben ze nu opgepakt. Hij zit vast bij de Gestapo in de Euterpestraat. Ik denk dat ze door hem proberen te weten te komen waar jij uithangt.’ Papa opgepakt. Ik moet me vasthouden aan Luuc om niet in elkaar te zakken. ‘Ja, jongen. We zijn bezig om je vader daar zo gauw mogelijk weer weg krijgen. Maar of dat lukt, we zullen het zien.’ ‘En mijn moeder en de jongens?’ ‘Met moeder gaat het goed. De ploeg vond het beter dat ze voorlopig niet meer naar Kattenburg gaat. Zo ver van huis is het niet veilig. Ze helpt nu bij ons in de kazerne. Schoonmaken en zo. En dat doet ze ook in de kazerne aan de Dapperstraat. Dat is niet ver van jullie huis’. Luuc spuugt zijn pruimtabak uit. ‘En weet je wat er nog meer voor nieuws is?

De Joodsche Raad, Nieuwe Keizersgracht (Foto Traces of War.nl)

Weet je nog dat kantoor aan de Nieuwe Keizersgracht? Waar jij toen een steen door de ruit wilde gooien. Daar zit nu die Joodsche Raad. Die alles doet wat de moffen willen. En weet je ook wie daar de baas is? Dat is die Asscher. Jouw meneer Asscher die jou naar de HBS heeft gestuurd! Nee, Simon, in Mokum gaat het niet goed’.

(Wordt vervolgd)

Over Lody van de Kamp 76 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*