Als die zuiplap maar niet te veel heeft gezegd. En mijn naam maar niet is gevallen.

illustratie Mokum op de Gracht

26 oktober 1941

‘Dirk, je klompen! Zomaar de mooie kamer in? Hier, ga zitten. Onder je stoel staan je pantoffels. Karel, zet jij oom Dirks klompen even in het gangetje.’ Tante Aatje pakt de koffiepot op en schenkt de mok van haar man in. Een schep verse room komt er boven op. ‘Jij nog een bakje Karel?’ Ik hoef niet eens ja te zeggen. Ook mijn kop wordt bijgevuld. Tante Aatje schuift naast oom aan tafel en legt haar handen in haar schoot. ‘Vertel Dirk, wat is er gebeurd? Wat heeft dominee tegen je gezegd?’

‘Wat heeft ie gezegd, Aatje? Dat wil je niet weten! Dominee of geen dominee, die man deugt niet!’ Tante Aatje kijkt in mijn richting. ‘Dirk, dit jong zit er bij. Moet hij horen hoe jij over dominee praat? Wat jij ook van hem vindt, dominee is G’ds dienaar en hij verkondigt Zijn woord!’ Grappig eigenlijk. Dit kon mama thuis ook zo zeggen als papa iets op te merken had over de opperrabbijn. Als de droosje van de opperrabbijn papa een keer niet beviel. Of die keer toen papa hoorde dat hij niet langer in de Grote Sjoel mocht komen nadat hij zonder werk was komen te zitten. ‘Zelfs de opperrabbijn weigert zich hier mee te bemoeien. Die man kiest ook alleen maar voor de rijken’. Mama had toen naar mij, Brammetje en Jaap gewezen en zei bestraffend tegen papa ‘Man, bezondig je niet. Zo praat je niet waar de kinderen bij zijn over een talmid chochom’.

Mokum op de Gracht is een roman van Lody B. van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op de Vrijdagavond

Aflevering 40

Oom Dirk neemt een flinke slok van zijn koffie. Zet zijn kop terug op tafel en kijkt nors voor zich uit. ‘Dominee riep  me terug de kerk in en hij ging me voor de consistoriekamer in. Hij ging breed voor de deur staan alsof ie bang was dat ik weg zou lopen.’ Ik weet niet wat oom Dirk bedoelt met dat woord “consistoriekamer” maar het zal wel iets met de kerk te maken hebben. ‘Dominee begon te praten. Het leek wel alsof hij weer een preek zou gaan houden. “Die jongen, hé. Die jongen die bij jullie in huis woont. Waarom komt hij soms wel naar de kerk en soms niet?  Ook heb ik al een paar keer gezien dat hij niet meezingt.” Aat, ik denk zo bij mezelf “man, waar bemoei je je mee” maar hij gaat gewoon door. “Dat joch komt niet uit het dorp. Is ie familie van jou Hendrikus? Is het een knecht die je helpt in de melkerij?” Ik zag dat dominee een antwoord van mij verwachtte. “Die jongen komt uit een dorp in het noorden van het land. Boven Amsterdam. Hij heeft al nare dingen in de oorlog meegemaakt. Hij heeft de bombardementen gezien van de haven van Amsterdam. Dat heeft hem bang gemaakt. En omdat hij vaak bang is durft hij niet altijd naar de kerk te komen”.Toen dominee dit hoorde ging hij helemaal los. “Maar Hendrikus”, zei hij tegen mij, ”heb je ooit gehoord dat iemand met angst niet naar de kerk gaat? “Er is in de liefde geen vrees,  de Heere is mijn helper, ik zal niet vrezen, wat zal een mens mij doen?” Hendrikus, zeg eens eerlijk. Er is toch geen andere reden dat je die jongen het woord van de Here onthoudt”? Wees eerlijk tegen over de Heer. Het is toch niet zo dat die jongen niet van ons is? Ze zeggen in het dorp dat het een Jodenkind is. Hendrikus, is dat zo?” Ik heb maar net gedaan of ik gek ben. “ Een Jodenkind? Hoe komt dominee daar nou bij?  Karel een Jodenkind? Ach, de mensen kletsen maar wat”. Aat, ik denk dat dominee meer weet dan ons lief is.’

Oom Dirk schuift wat dichter tegen me aan. Het is bar koud boven op de bok. ‘Kom jongen, leun maar tegen me aan, zo kunnen we elkaar wat warm houden. Als Berend zo door blijft draven zijn we er over een minuut of tien’. Ook met de dikke trui onder mijn jas en de wollen wanten die tante Aatje me heeft gegeven krijg ik het maar niet warm. Op de bok rond om ons heen vormt zich langzamerhand een dunne sneeuwlaag. De kou dringt overal doorheen. ‘Als stadskind ben je dit weer hier op het eiland niet gewend. Wacht maar tot het echt gaat vriezen. Dan weet je wat kou is. Toch moet je zo nu en dan naar buiten. Dan zien de mensen op het dorp tenminste dat we niet geheimzinnig over je doen’. Oom Dirk praat de hele week al over het gesprek met dominee van afgelopen zondag. ‘Als we je blijven verstoppen mochten ze nog echt gaan denken dat je een Jodenkind bent. En dat is niet goed’. Eerst had ik het wel uit willen gillen: ‘Een Jodenkind? Man, ik bén ook een Jodenkind. En dat wil ik ook altijd blijven. Nooit zullen jullie een goj van mij kunnen maken, niet de dominee. En niemand anders’. Maar ik houd me in. Hoe heeft de rabbijn het ook alweer in sjoel gezegd op die stiekeme Jom Kippoer in de Russensjoel voordat ik weer terug ging naar oom Dirk en tante Aatje? “Zij vervolgen ons als beesten. Maar wij zullen overleven, waardig als mensen”. Pas toen ik in de trein zat dacht ik weer aan dat woordje “waardig’. Ik zal proberen waardig te blijven. Zelfs tegenover deze dominee die er vast op uit is om me te bekeren.

Bij het binnenkomen van het volgende dorp trekt oom Dirk aan de teugels. Berend gaat langzamer lopen. Vanuit de hoofdstraat rijden we, langs een begraafplaats, een zijweggetje in. Voor een groot groen hek blijft de wagen stilstaan. ‘Karel, hier gaan we eerst kaas laden’. Oom Dirk staart naar de lucht. Onophoudelijk vallen sneeuwvlokken neer. ‘Intussen zal het weer toch wel wat opklaren’? Het pad achter het hek moet voor deze laatste bui sneeuwvrij zijn gemaakt. Aan beide kanten ligt wat sneeuw opgehoopt. De boerin komt naar buiten en maakt  het hek open.

De melkboer (Foto: Omnio)

‘Goedemorgen, Hendrikus. De baas is er nog niet maar die zal zo wel komen. Kom maar vast het erf op’. Oom Dirk leidt Berend aan de teugels het hek binnen. Hij stalt de wagen onder een afdak en vanuit een lade onder de wagen haalt hij een dikke deken tevoorschijn die hij over de rug van het dier legt. ‘Zo Berend, hier kun je een beetje op adem komen. Karel, kom jij ook van de bok af? Binnen is het vast beter dan hier’. Op de deel doen we onze klompen uit. ‘Zo kerel, jij bent dus die jongen uit de stad waar Dirk over verteld heeft’. De boerin kijkt me fronsend aan. ‘Weet je Hendrikus, dit is de eerste keer dat ik een Jodenkind in levenden lijve zie. Ik vind het maar wat dapper van Aatje en jou om zo een kind te verbergen. De Heer zal je hier zeker voor belonen. Is het Oude Volk niet G´ds oogappel?’

Met stijgende verbazing luister ik naar de boerin. Waar heeft die vrouw het over? Heeft ze nog nooit een Jood gezien? Als ze sjabbes bij ons in sjoel zou komen, dan ziet ze er meteen driehonderd tegelijk. En wat bedoelt ze met een oogappel van Hasjeem? Nooit van gehoord. ‘Jongen, hoor je nog wel eens wat van jouw vader en moeder’? Ik haal mijn schouders op. ‘Gerdien, van zijn vader en moeder kan de jongen niets horen. Die zitten misschien ook wel ergens verstopt. Je moet niet zoveel vragen stellen’.

De vrouw zucht.‘Hendrikus, het zijn barre tijden. Laten we maar eens kijken of de koffie al uit geprutteld is. Ik denk dat de baas nu langzamerhand wel in de kaasmakerij zal zijn’.

Samen  steken we het erf over. De boerin is op de deel achtergebleven. Oom Dirk moet zich bukken om door de kleine deur naar binnen te kunnen gaan. Op de planken recht tegenover de deur liggen een heleboel grote gele kazen. Een tweetal knechten leggen de kazen een voor een op een weegschaal. ‘Morgen Dirk, je komt geen uur te vroeg’. De knecht snuit zijn neus in een grote rode zakdoek. Hij gaat vlak naast oom Dirk staan. ‘Neem alsjeblieft de hele handel aan paperassen mee. Het is veel te gevaarlijk om die hier nog langer te laten’. Oom Dirk kijkt de man vragend aan. ‘Gisteravond’, de knecht wijst met zijn duim over zijn schouder in de richting van de boerderij, ‘liep die ouwe om elf uur nog door het dorp te zwalken. Hij had weer veel te veel op. Wie weet tegen wie die in de kroeg allemaal heeft lopen te zwetsen. Ik hou mijn hart vast. De bazin, arm mens dat ze is, vertelde me dat de veldwachter hem vannacht na middernacht hier heeft afgeleverd. Het had niet veel gescheeld of hij had hem voor een nacht in het gevang gezet in plaats van in zijn eigen bedstee. Ik geloof dat hij nu nog ligt te slapen’. Met zijn hoofd schuddend loopt de knecht naar de tafel. ‘Hier, Dirk, deze vier kazen staan voor jou klaar. Reken ze volgende week maar zelf met de baas af. Dan zal ie wel weer boven water zijn’. De man moet grinniken. ‘En die spullen, tja, die moet je thuis maar ergens verstoppen. We kunnen het onmogelijk hier nog langer houden. Als die ouwe in de kroeg gisteravond zijn mond voorbij heeft gepraat, dan verwacht ik dat vandaag of morgen de mof wel voor de deur zal staan’. De knecht neemt een dikke stapel papieren onder uit een houten karnton die in de hoek staat. ‘Ik zal de handel goed verstoppen’. De knecht loopt met oom Dirk naar buiten naar de wagen. Achterop ligt een grote zak. ‘De bazin heeft voor jou al een zak met haver klaar gemaakt om mee te nemen voor het paard. We zullen de spullen daarin verstoppen. Dan moet je ze thuis wel goed uitschudden. Anders mogen ze vast van moeder de vrouw niet mee naar binnen’. De knecht graaft met zijn handen tot diep in de haver. Dan neemt hij de stapel papieren en duwt deze tot diep onder in de zak. Bij het heen en weer schudden komt de haver nu boven op de papieren te liggen. ‘Mochten de moffen je aanhouden, dan zullen  ze zo ver wel niet zoeken. Voor hen is het ook bar en boos weer’.

Ik  begrijp niet goed wat er allemaal gebeurt. Maar dat het iets geheims is tegen de Duitsers dat is duidelijk. Ik hoop niet dat de moffen ons onderweg zullen aanhouden.

Onderweg terug naar huis kijkt oom Dirk zorgelijk. Hij mompelt in zichzelf. ‘Als die zuiplap van een kaasmaker maar niet te veel heeft gezegd. En als mijn naam ook maar niet gevallen is. Wanneer zal ie nou ooit eens van de drank afkomen? Kom, Berend, een beetje sneller’. Met de zweep geeft ie een zacht tikje op de rug van het paard. Oom Dirk slaakt een diepe zucht.

In de avond lig ik te draaien in de bedstee. Wat gebeuren er toch vreemde dingen in oorlogstijd. Die kist met geweren en met kogels die we hebben begraven op Zeeburg. Een map met stukken over kunst en antiek die papa moet bewaren voor die oom Sig die naar Amerika is vertrokken. En nu weer allerlei geheime papieren verstopt in de haverzak van Berend die de moffen niet mogen vinden. Ik voel dat het niet lang meer duurt totdat ik ook niet langer een toeschouwer ben maar mee vecht om die moffen op de een of andere manier het land uit te werken.

(Wordt vervolgd)

Talmid chochom:  Thora-geleerde

Over Lody van de Kamp 76 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*