“Deze kaart vonden we in de brievenbus”.

illustratie Mokum op de Gracht

Mokum op de Gracht is een roman van Lody B. van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op de Vrijdagavond

Aflevering 37

18 september 1941

‘Karel, je hebt het nog nooit zo goed gehad. Als brandwacht moet ik het doen met hier en daar een snipperdag. Meneer komt maar even voor een hele week vanuit Zeeland op vakantie naar Mokum.’ ‘Nou ja, vakantie. Ik vertik het echt om de feestdagen daar in dat dorp bij die ome Dirk en tante Aatje door te brengen. Voor wat wij de Jomtof-dagen noemen moet ik in de buurt van een sjoel zijn.’ ‘Ja joh, dat begrijp ik best. Daarom heb ik je ook over laten komen’. We lopen door de hal van het Centraal Station. Ik kan niet nalaten om voortdurend achterom te kijken. We worden toch niet door een politieagent gevolgd? ‘Maak je niet zoveel zorgen Karel. Na een half jaar zoeken ze vast niet meer op straat naar jou. Op de gracht is het natuurlijk wat anders. Daarom zorgen we wel dat je daar niet gezien gaat worden.’Ik knik. ‘Ja, dat begrijp ik.’ ‘Maar ik ga er wel voor zorgen dat je je pa en je ma gaat zien. En dat je naar de synagoge kunt gaan voor Nieuwjaar.’

We lopen de Nieuwmarkt op. ‘Denk je dat ik Jopie ergens kan ontmoeten? Na die schietpartij hebben we elkaar niet meer gezien.’ Luuc duwt me onder de luifel van De Waag. ‘Zo, nu zijn we uit het zicht. Karel, jij bent Karel. Jij kent geen Jopie. Dat moet je wel goed begrijpen. Simon kende Jopie. Karel weet niet wie Jopie is’. Luuc fluistert. ‘Jongen, het is niet goed. Jopie hebben ze uiteindelijk gepakt. Eerst heeft ie een tijd in de bajes aan het Haarlemmermeerplein vastgezeten. Daarna hebben ze hem helemaal in Leeuwarden opgesloten.’ Ik staar Luuc verbijsterd aan. ‘Narresjkat, Luuc. Je houdt me voor de gek’. Luuc laat een stevige vloek horen. ‘Ik hou je helemaal niet voor de gek. Ik zal je maar niet vertellen waar hij nu schijnt te zitten.’ Ik grijp Luuc bij zijn jas. ’Vertel. Waar is Jopie!  Waar is ie!’ Luuc kijkt nu ook om zich heen en legt zijn vinger op zijn lippen.

De Waag op de Nieuwmarkt Foto: Stadsarchief. Beeldbank

Ik buig mijn hoofd naar beneden. Dat ik me zo laat gaan. ‘Alsjeblieft Luuc. Jopie, mijn beste  gabber’. ‘Karel. Die rotzakken hebben Jopie overgebracht naar een kamp, een concentratiekamp bij Amersfoort’. Ik kijk Luuc radeloos aan. ‘En nu? En nu?’ ‘Jongen, ik zal je de hele waarheid maar vertellen. Veel van die mensen van dat kamp sturen ze door naar Duitsland. Of dat met Jopie is gebeurd, ik weet het niet. Het blijkt dat hij vorige week nog in het kamp zat.’

We lopen langs de Grote Sjoel de brug over de Weesperstraat in. Nog voordat we bij onze gracht komen vertelt Luuc me over te steken. We slaan links de Jodenkerkstraat in.

‘Hier zal geen smeris jou zoeken. Iets verder is die synagoge. Daar op zolder hebben we voor jou voor deze week een plekje geregeld.

‘Dat is de Russensjoel’. ‘Doet dat er iets toe in wat voor sjoel je bidt? Zolang het maar geen moffensjoel is.Toch?’ Ik beaam dat. ‘Luuc, je hebt gelijk. Je bent zo goed voor mij.’

Hoe hij het allemaal regelt weet ik ook niet. Maar de brandweerman haalt een sleutel tevoorschijn en even later lopen we de steile houten trappen op, helemaal naar de zolder boven de sjoelruimte. Mijn ogen moeten aan de duisternis wennen. In de hoek onder het pannendak staat een bed. Ik hoor de duiven in de dakgoot. ‘Hier is je koffertje met je spullen. Voel je zelf thuis. O ja, hier heb ik nóg wat voor je.’ Ik herken de bruine zak van bakker De Liever. ‘Je moet toch ook nog wat te eten hebben vanavond. Morgen zien we wel weer verder.’ Even later hoor ik hoe Luuc beneden de voordeur achter zich dicht trekt.

Door het zolderraam kijk ik uit op een plat dak. Mocht ik er vandoor moeten omdat ze me hebben gevonden, dan kom ik hier langs de goten een heel eind. Dus dat zit wel goed. Ik heb geen idee hoe laat of het is. Vanonder mijn jasje haal ik mijn kleine tefilletje tevoorschijn. Voor het eerst in maanden oor ik weer Maariv.

Op mijn bed kauw ik op de broodjes.

Beneden hoor ik een piepende deur. Voeten lopen zachtjes de trap op. Ik spring op en duw het dakraam open. Dan hoor ik papa’s stem. ‘Simon? Simon?’ klinkt het zachtjes. Ik voel papa’s stevige armen om me heen. Luuc blijft even beneden. Nu komt mama ook naar boven. Ook zij sluit mij in haar armen. Luuc komt nu ook, met een brandende kaars. Ik schrik hoe mama en papa er uit zien. Ze zijn zo oud geworden! Hoe lang ben ik nu helemaal weg? Nog maar een maand of zes. Ze praten niet. Mama staart alleen maar voor zich uit. Ik wil wat tegen ze zeggen. Ik wil honderduit vragen. Maar er komt geen woord uit mijn mond.

Papa legt een fluwelen zak op tafel. Mijn talliszak en mijn tefillien. ‘Deze mocht je niet mee nemen naar je schuilplaats daarginds. Dat zou te gevaarlijk zijn. Maar nu ben je weer even thuis.’ Mijn hand streelt het zachte fluweel. Ik voel meteen weer hoe trots ik was toen ik op mijn barmitswe de eerste keer mijn tefillien aanlegde in sjoel.

Papa haalt een briefkaart uit zijn binnenzak. ‘Ik weet ook niet wat opa heeft gedaan. Maar de moffen hebben hem met oma opgepakt’. Papa houdt me de kaart voor. ‘Deze vonden we een week of drie geleden in de brievenbus. Ze komt van tante Emmie, mamma’s zus.

 “Het spijt me vreselijk maar ik moet jullie schrijven dat onze ouders vanochtend, dinsdag, door Duitsers thuis zijn opgehaald. Er waren ook gewone politiemannen bij. Ik heb ze sinds gisteravond niet meer gezien. We hebben geen idee wat de reden is. Samu is naar het politiebureau gegaan om uit te vinden waar ze zijn. Ze zijn eerst overgebracht naar het Huis van Bewaring bij het Leidseplein. Maar onderhand weten we dat ze daar ook niet meer zijn. Ze hebben Samu wel op het bureau verteld dat er niets aan de hand hoeft te zijn. Ze komen binnenkort wel thuis. G’d moge het geven. Een lieve groet, blijf sterk. Jullie liefhebbende zus en schoonzus Emmy. Een hartelijke groet ook van jullie zwager Samu.”

Mama staart voor zich uit. Ze zegt geen woord. Na een paar minuten staat papa op. ‘Fijn dat je nu even naar Amsterdam voor Jomtof bent gekomen’ zegt papa met een hese stem. ‘We zien elkaar de komende dagen wel weer. Wees vooral voorzichtig. Doe geen gekke dingen.’ Mama omhelst me opnieuw. Ik voel haar tranen op mijn wangen. ‘Simon, mijn jongen. Simon, mijn jongen’.

Het Russensjoeltje Foto: De Dokwerker

De halve nacht zit ik voor het raampje. In de verte zie ik de nok van de Snoge boven de huizen uitsteken. Naar links ligt de gracht. De huizen aan de Weesperstraat belemmeren het zicht op ons huis. Zal ik misschien toch maar naar huis gaan? Ik heb de huissleutel nog. Deze heb ik altijd bij me. Ook als ik met oom Dirk en Berend ons rondje in het dorp doe. Misschien hebben papa en mama mij nu wel nodig. Juist nu ze het zo zwaar hebben. En als ik ga, kan ik mijn broertjes ook eventjes zien. Al liggen ze maar te slapen.

Nee, ik mág dit niet doen. Het is te gevaarlijk. Ik hoef maar één zo een smeris tegen te komen, ook al is het midden in de nacht, die mijn ponem herkent van die foto die op het bureau hangt en dan ben ik de sjlemiel. Niet eens uitgekleed val ik in slaap boven op het bed. Ik word om de haverklap wakker. En dan spoken de gedachten over opa en oma door mijn hoofd. Ik kwam voor Jomtof naar huis toe. Maar ik voel hier meer de misère dan in het dorp. Als ik nu een mof zou tegen komen zou ik hem helemaal voor pampus slaan.

Er klinken stemmen beneden in sjoel. Het is nog helemaal donker buiten. Waarom komen die mensen zo vroeg naar sjoel? “Sjema Koileini, chis werachem oeleinie, luister toch naar mijn stem, ontferm U en toon Uw medelijden over ons”. Het is drie dagen voor Rousj Hasjone! Deze dagen zeggen we Slieches. Dan zal papa nu ook wel in sjoel zijn. Niet hier in de Russensjoel. Vast en zeker op Uilenburg. Ik luister aandachtig naar de woorden die ik van beneden opvang.

 “Machnisei rachamim, Machnisei rachameino, Engelen van Barmhartigheid breng ons medelijden voor de Barmhartige G’d”. Woord voor woord spreek ik mee met wat de voorganger beneden zingt. Alsof ik nooit in het verre Zeeland, in Ouwerkerk, ben geweest ben ik nu opeens weer helemaal thuis, in Mokum. In sjoel, vlak voor Rousj Hasjone en Jom  Kippoer. ‘Hakodesj Boroech Hoe, help ons deze oorlog te winnen! Spaar ons van alle ellende die over ons is gekomen! Help toch!’

Ik sla mijn talles om, ik doe mijn Tefillien aan. Ja, ik ben thuis. Al is het maar voor eventjes. De tonen van de Sjoufer klinken door het hele gebouw heen. Ze geven mij de nodige rillingen. Ik hoor hoe iedereen hierna de sjoel verlaat. Ik ben weer helemaal alleen. Maar dat duurt niet lang.

(Wordt vervolgd)

Jomtof-dagen: Feestdagen.

Narresjkat: Onzin

Jodenkerkstraat: Oude benaming voor de Nieuwe Kerkstraat in Amsterdam

Tefilletje: Gebedenboekje

Oor (oren): bid, bidden

Maariv: Het avondgebed

Talliszak: Opbergzak voor de gebedsmantel

Tefillien: Gebedsriemen

Sjlemiel: Sukkel, de pineut

Rousj Hasjone: Het Nieuwjaar

Slieches: De extra smeekgebeden die tijdens de periode van de Hoge Feestdagen dagelijks worden gezegd.

Sjoufer: De ramshoorn

Over Lody van de Kamp 97 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*