Een Jodenkind verstoppen? Dat is toch levensgevaarlijk?

illustratie Mokum op de Gracht
Print Friendly, PDF & Email

Mokum op de Gracht is een roman van Lody B. van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op de Vrijdagavond

Aflevering 36

Woensdag 3 september 1941

Mijn leven is behoorlijk veranderd. Ik woon nu alweer een half jaar als achterneef Karel van Kempen bij oom Dirk en tante Aatje. Die jongen van de gracht uit Mokum heeft geleerd hoe je om half 5 ’s ochtends uit de bedstee kruipt om een kwartiertje later in de stal koeien te gaan melken. 

Uit Mokum? Op papier is Karel van Kempen geboren in Monnikendam en heeft hij zijn leven doorgebracht op een boerderij in de buurt van Enkhuizen. Luuc heeft me daar zelfs een keer naar toegebracht om dat plaatsje te bekijken. Mochten die moffen me ooit een keer te pakken krijgen en me vragen waar ik vandaan kom kan ik in ieder geval mijn woonplek een beetje beschrijven. Je weet maar nooit. ’s Avonds ben ik toen ook stiekem nog even bij papa en mama binnengestapt. Het was een moeilijk weerzien en een nog moeilijker afscheid.

Mijn dagen besteed ik op mijn zolderkamertje of, als er verder geen vreemden in de buurt is, in de melkerij van oom Dirk. Als knecht is daar voor mij genoeg te doen.

Maar er is meer dan dat.

Oom Dirk trekt zijn schouders nog maar eens behaaglijk op. Zijn duffelse jas met die dikke kraag geeft hem voldoende bescherming tegen de stormachtige noorderwind. De herfst is nog niet eens begonnen.Toch waait het hard in de polder. De golven klotsen beneden tegen de dijk. We staren over de zee. Het lijkt wel of de donkergrijze wolken elkaar op de vroege ochtend geen plekje aan de hemel gunnen. Zo gauw er ergens een gaatje in het dikke wolkendek verschijnt schuift een nieuwe grijze massa onmiddellijk naar voren om het gat te vullen. ‘Zie je Karel, die donkere lucht? Ons zondige mensen wordt op aarde niet toegestaan zelfs maar een glimpje op te vangen van het hemelse uitspansel.’

We draaien ons om en lopen de dijk af in de richting van de stal. ‘Voordat wij vandaag het dorp in gaan om de klanten te bedienen moet ik toch eerst maar eens kijken hoe het met die ene hoef van Berend is gesteld. Gisteren bij het uitspannen leek het dier last te hebben van die hoef. Het beste zou zijn om aan het einde van de ochtend, nadat ik klaar ben met mijn ronde, langs de smidse van Leendert te gaan om de hoefijzers na te laten kijken.’ ‘Oom Dirk, kan ik mee gaan naar de smid?  Leendert weet toch ook al uit de kerk dat ik bij jullie woon?’ Oom Dirk bromt goedkeurend. ‘Ja, waarom ook eigenlijk niet?’ Oom Dirk steunt met zijn handen op de rug van Bertha. ‘Ja, meid, ook jij hebt weer goed je best gedaan op jouw melk.’ Het beest draait haar kop om naar oom Dirk en kauwt verder op het hooi dat ze in haar bek propt.

‘Karel, ik moet je vertellen wat mij bezighoudt.’ Vragend kijk ik de melkboer tegenover me aan. ‘Gisteren hadden we kerkenraadvergadering. Ouderling Willem nam me apart en vroeg me nog even te blijven tot dominee naar huis was gegaan. Samen liepen we het pad af. Naast het kerkhof, in de schaduw van de toren, legde Willem een hand op mijn schouder. ”Hendrikus”, de ouderling noemt me altijd bij mijn volle naam, “ik moet je morgen even spreken. Hoe laat schikt het je?”

Ik heb hem geantwoord dat ik vandaag eerst mijn melkronde moet doen. ‘Als ik dan terug ben loopt het al tegen de middag. Na het middagmaal moet Aatje op kraamvisite en blijf ik in de winkel. Schikt het jou om een uur of half zeven?’ Willem had kort geknikt en is meteen het pad afgelopen, de Dorpstraat in.

Foto Zuivelmuseum.nl

Gisteravond in de bedstee totdat ik eindelijk in slaap viel, vroeg ik me de hele tijd afgevraagd wat Willem nu eigenlijk van me zou willen. En ook vanochtend vroeg, toen ik wakker werd, maalde het meteen weer door mijn hoofd. Willem komt wel eens vaker langs. Maar dan als ouderling van de kerk. Zo een bezoek wordt altijd officieel een week van tevoren aangekondigd en als we dan rond de tafel zitten, met een glaasje jenever in de hand,  gaat het altijd over het geloof. Maar nu doet hij zo geheimzinnig over dit bezoek. Karel, jij kent die lui hier bij ons op het dorp ook al een beetje. Denk je dat dit met deze tijd te maken heeft?’

Ik moet oom Dirk het antwoord schuldig blijven.

In het dorp merken de bewoners tot nu toe niet zo veel van de oorlog. Duitse soldaten zien ze niet veel. Zo nu en dan komt er ineens een kleine patrouille door het dorp.

Oom Dirk praat verder. ‘Ja, natuurlijk is er wel die vermaledijde NSB´er Broekman in dat uniform die maar in de kerk blijft komen en ook de kerkenraadvergaderingen blijft bezoeken. Die boef laat geen gelegenheid voorbijgaan om iedereen duidelijk te maken dat het een Hemelse zegen is dat Nederland is ingelijfd bij het grote Duitse Rijk. Daar mag van dominee niets tegen in worden gebracht.  Broekman is nu eenmaal lid van de gemeente. En de NSB is een organisatie die de bezetter steunt die het in Nederland voor het zeggen heeft. “Het Duitse gezag is de autoriteit door de Heer gezonden. Is het niet onze eigen zonde die er toe heeft bijgedragen dat ons land moet zuchten onder deze vreemde onderdrukker? Daar mag een mens zich niet tegen verzetten.” Zo eenvoudig is het volgens die smeerlap in uniform.’

Anders dan ze wel hoorden uit andere delen van het land, is er ondanks de oorlog hier op de eilanden nog genoeg te eten. Veel van wat de boeren verbouwen wordt door de Duitsers ingevorderd. Maar voor de boeren zelf blijft er nog voldoende over om zelf te eten en aan de dorpelingen te verkopen.

Bij het openen van de stal komt Berend ons al tegemoet. Het dier wrijft zijn hoofd langs oom Dirk zijn mouw. “ Kom Berend, zullen we zo dan maar op stap gaan? Eerst langs de melkfabriek, en dan meteen de melk rond brengen. Daarna laten we even naar jouw voeten kijken’. Oom Dirk pakt de leidsels van de haak en loopt met het paard naar buiten en zet het tussen de bomen van de kar. Zo te zien heeft Berend vanochtend geen last van zijn ene been. ‘Toch gaan we straks maar even langs de smidse.’

“ Zijn de luiken dicht, Hendrikus”? Willem wrijft zijn handen in elkaar, brengt deze naar zijn mond en blaast zijn hete adem over de verkleumde vingers.“ Het zal me niets verbazen als de vorst de komende dagen aan komt zetten. Ook al is het nog vroeg in het jaar”. “Ja, de luiken zitten dicht, broeder, ga zitten en maak het je zelf gemakkelijk. Wil je je pijp stoppen”? Ook oom Dirk schuift een van de leunstoelen naast de kachel en zet de tabakspot op het kleine tafeltje er naast. Dan pakt hij de fles Oude Klare en vult hij drie kleine glaasjes. ‘Je hebt er toch geen bezwaar tegen wanneer mijn neef Karel er ook bij zit?’ Willem neemt het woord. ‘Hendrikus jouw neef mag er bij blijven. Wat in jouw huis woont vertrouwen we 200 procent.

Kijk, Hendrikus, ´t is oorlog”. Oom Dirk knikt. “Je weet dat de Jodenmensen het moeilijk hebben”. Weer knikt oom Dirk. Ik vraag me af of Willem mij bedoelt. Zou hij weten dat ik Joods ben? Hier op Goeree hebben ze daar niet veel van gehoord. ‘Ik weet dat slager Heijmans, de jodenslager, uit Dirksland door de Duitsers is opgepakt. Ook heb ik gehoord dat de Duitsers de winkel van die oude Salomon, eveneens een jodenman, uit Oude Tonge hebben gesloten en de oude baas met zijn vrouw naar Rotterdam hebben gebracht.’

‘Hoeveel kamers heb jij boven?’ Verbaasd kijkt oom Dirk op. Wat bedoelt Willem? Willem neemt een slokje uit zijn glaasje en buigt zich naar voren. “ Hendrikus, het jodenvolk loopt gevaar. Bij bosjes worden ze gevangen gezet en heel ver weg gebracht. Ze zeggen helemaal naar Polen. Ik weet dat het hun eigen schuld is. Ze hebben de vloek van de Heer over zich gebracht. Maar een medemens in nood moet geholpen worden. Ook Jodenmensen. Hoeveel kamers heb jij boven?’ ‘Wat bedoel je met hoeveel kamers ik heb? De grote slaapkamer en nog een logeerkamer voor als de ouwelui een keer langskomen. En neef Karel slaapt op de vliering.’ En verder? Is er maar één kamer op die vliering? Heb je daar nog meer ruimte?’ Oom Dirk kijkt Willem vol verbazing aan. Deze trekt aan zijn pijp.

“Hendrikus, morgen komt er een Jodenjongen naar het dorp, ergens uit Rotterdam of Den Haag. De Duitsers zijn bezig die steden van Joden te ontdoen. Kun jij die jongen verstoppen? Hierboven op de vliering. Behalve jouw neef?’

Ik zie dat oom Dirk even niet weet wat hij nu moet zeggen. Hij heeft toch al een “jodenkind” verstopt? Moet hij mijn verhaal nu opbiechten aan die ouderling?

Foto Zuivelmuseum

Oom Dirk houdt zich van de domme. ‘Een jodenkind verstoppen? Dat is toch levensgevaarlijk. En trouwens, mag dat wel? Is het niet op gezag van de Heer dat Jodenmensen zo vervolgd worden? Mogen wij ons daar wel tegen verzetten? Jodenmensen verstoppen is toch heel iets anders dan het andere werk dat ik zo nu en dan doe.  Zoals gezegd, Jodenmensen hebben toch zelf hun lot over zich afgeroepen. Hoe zei dominee het ook alweer in zijn preek: “Wie dit offer afwijst gaat uiteindelijk verloren. Wie dit offer gelovig uit Gods genadige handen aanvaardt mag leven, eeuwig leven”. Jodenmensen verstoppen? Hoe zal dominee dáár over denken? En wat zal Aatje er van vinden?’  ‘Maak je geen zorgen wat Aatje daarvan vindt, Hendrikus. Vanmiddag kwam ik haar bij de zangvereniging tegen. Ik heb het al met haar besproken.’

 (Wordt vervolgd)

Over Lody van de Kamp 46 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*