Beppie Ottenbros-Bosboom (1926-2021) – een onvermoeibare seizoenswerker

Beppie Ottenbros-Bosboom wordt geïnterviewd door PABO-studenten
Print Friendly, PDF & Email

In de week waarin ik hier in de kolommen van De Vrijdagavond over Andries van der Hoeden schreef, overleed het laatste lid van zijn familie die hem nog zelf had meegemaakt. “De laatste der Mohikanen is niet meer,” zei één van de sprekers bij het afscheid op Westerveld in Driehuis. Of zij ook echt de laatste Nederlandse overlevende van Auschwitz was, heb ik niet kunnen fact-checken, maar het zal niet veel schelen.

Beppie (Elisabeth) Bosboom werd geboren op 18 augustus 1926 als jongste van twaalf kinderen. Haar vader Eliazer Bosboom was postbode en haar moeder Marianne Flesschedrager, tja, die had genoeg te doen. Breed had men het niet. Als haar schoonmoeder, Reina Bosboom van de Kar op vrijdagmiddag even kwam kijken of alles goed was, had ze een pan water op het fornuis staan. “Ja, hoor, de kippensoep staat op.” Oma Bosboom was een lief mens, maar je maakte haar niks wijs, dus die liet stiekem een paar tientjes op de keukentafel liggen, zonder er verder een woord aan vuil te maken. Waarmee ze wilde zeggen dat saamhorigheid en hulpvaardigheid binnen haar familie ook op karige bodem kon bloeien.

Zij was nog maar een kind, toen de oorlog kwam. Na die oorlog was er niet veel meer over van dit arme, maar warme nest. Toen zij als een uitgemergelde jonge vrouw terugkwam uit de kampen (Vught, Auschwitz, Ravensbrück), liep zij met opgeheven hoofd de mensen van de opvang vanuit de Joodse gemeenschap voorbij. Amsterdam Oost moet als een kale vlakte hebben gevoeld, maar zij wist haar oudere zus Mina Walvisch-Bosboom te vinden. Toch een plek om weer grond onder de voeten te krijgen.

In de periode van “de wederopbouw” droeg zij dapper haar steentje bij. Ze trouwde en kreeg twee kinderen. Na een aantal jaren begon zij echter te merken dat de kampervaringen haar niet met rust lieten. “Ik ben eigenlijk ook een zenuwpees,” zei ze tegen mij. Net als haar tante Anna, de moeder van Andries. Haar huisarts gaf haar de raad een werkkring te zoeken en die vond zij bij de politie, waar zij in de kantine ging staan. “De groene uniformen hebben me in de modder getrapt, de blauwe uniformen hebben me er weer uit getrokken,” zo vatte Beppie die jaren van haar leven samen.

Na haar werkende leven vond zij een nieuwe levensvervulling in het levend houden van de herinnering aan de Sjoa. “Eigenlijk ben ik een soort seizoenwerker,” grapte ze. “Het begint altijd in januari met de bevrijding van Auschwitz. Daarna heb je de jaarlijkse dag van de Vrouwen van Ravensbrück, en natuurlijk het hele gedoe rond 4 en 5 mei.” Maar wat zij het belangrijkste vond, kwam daarna. Tot aan de zomervakantie begeleidde zij klassen met PABO-studenten tijdens educatieve reizen naar de kampen. Zo hoopte zij bij te dragen aan het bewustzijn onder nieuwe generaties van wat er in die oorlog gebeurd is.

In de laatste jaren werd zij daarin altijd trouw bij gestaan door haar dochter Ivonne. Die zal ook hierin beslist de fakkel van haar moeder overnemen. En als het seizoen weer voorbij is, gaat het leven door. Er zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Die dragen de herinnering verder: de herinnering aan de verschrikkingen, maar ook de herinnering aan de saamhorigheid en hulpvaardigheid van een groot gezin in Amsterdam-Oost.

Over Channa Kistemaker 27 Artikelen
Is afgestudeerd (1988) als classica en heeft zich later in het Hebreeuws bekwaamd. Zij doet historisch onderzoek naar de religieus-Joodse boekcultuur in Nederland van 1815 tot nu. Ook houdt zij zich bezig met het documenteren van de grafzerken op de Joodse Begraafplaats Zeeburg, en vertaalt zij poëzie uit het Ivriet.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*