Overlijdensberichten, zonder een lewaje

illustratie Mokum op de Gracht
Print Friendly, PDF & Email

Mokum op de Gracht is een roman van Lody B. van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Aflevering 33

9 april 1941

‘Simon, daar vlak voor ons. Dat moffenjong loopt nu naar de Gooyer toe?’ ‘De Gooyer, Jopie? Wat bedoel je? De Gooyer is de molen naast de dijk op weg naar Zeeburg’. Ik knik. ‘Een mooie plek om hem daar te pakken te nemen’. We kijken om ons heen maar er is niemand in de buurt. ‘Simon, ben je wel eens bij die molen binnen geweest?’ ‘Nee, ik kom hier bijna nooit. Een enkele keer fiets ik hier langs op weg naar jou toe op het abattoir’. ‘Ik kwam hier elke dag langs toen ik nog kon werken. Weet je, door die klerezooi van die Nazi’s heb ik al weken geen poosjet kunnen verdienen. Ik verveel me stierlijk op zolder bij die brandweerlieden. Maar jouw Zeeuw laat me bijna niet de straat op. “Voor je eigen veiligheid roept ie dan”. ‘Heeft Luuc dan geen gelijk? Als die Moffen je te pakken krijgen is het met jou ook gedaan. Of heb je zin in zo’n treinreisje naar Duitsland, naar zo’n kamp? Vorige week zag ik nog dat aanplakbiljet waar die Moffen vertellen dat ze op zoek zijn naar de daders van die fik met die auto’s.’ ‘Tuurlijk je hebt gelijk. Maar toch.’

De Gooyer (Foto: Stadsherstel)

Ik stoot Jopie aan. ‘Hij is nu achter de heg naast de molen. Waar wil je hem pakken?’ We lopen nog even door. Op de volgende hoek is een tabakswinkel. ‘Iets verder komen we bij een kapotte schutting. Daarachter. Simon, ik loop wat vooruit, jij blijft buiten zicht. Mocht hij jou zien dan weet hij meteen dat jij hem te grazen hebt genomen na dat verhaal op school over wat zijn vader allemaal uitvreet tegen de Jiddden bij de politie. Dit moeten we niet hebben. Jij zit bij hem in de klas. Ik snap trouwens niet dat jij het met zulke chazeirim  op school uithoudt.’ Ons moffenjong loopt nu langs de tabakswinkel. ‘Hoe heet ie ook alweer, die “vriend” van jou? Arend?’ ‘Nee, Anton. Anton Groothuis’. Net als Anton langs de schutting loopt springt Jopie tevoorschijn. Jopie heeft zijn kraag opgezet met zijn pet weer diep over zijn gezicht getrokken. Hij geeft Anton een enorme duw. Deze tuimelt door het gat in de schutting, de struiken in. Jopie geeft de vent een klap in zijn gezicht en houdt hem stevig vast. ‘Zo jij bent Anton?’ Jopie praat best hard. Waarschijnlijk doet hij dat zodat ik kan horen wat hij tegen Anton zegt. ‘Anton?’  Doodsbang knikt de knul. Jopie duwt hem tegen de grond. ‘Dus jouw vader werkt bij de politie? Hij is die vent die heeft geholpen al die Joden op te pakken en ze naar dat moffenland te sturen? ‘Dat was mijn vader niet. Mijn vader zou zo iets nooit doen’.  Weer krijgt Anton een klap in zijn gezicht. ‘Nee, jouw vader doet zoiets niet? Waarom zit jij op jouw school dan op te scheppen dat die ouwe van jou heeft geholpen een paar honderd Jodenmannen op te pakken?’ Jopie trekt Anton overeind en duwt hem door de schutting weer de straat op. Hinkend op één been probeert ie huilend te maken dat ie weg komt. Op zijn gemak loopt Jopie hem achterna. Ik volg op een afstandje. Anton duwt de door open van een café op het Zeeburgerpad. ‘Daar zal die ouwe Groothuis wel uithangen. Wat heeft die knul daar anders te zoeken?’ We overleggen wat ons nu te doen staat. Jopie haalt uit de binnenzak van zijn jas een fietsketting tevoorschijn. ‘Ik denk dat deze slungel zijn werk maar moet doen. Simon, bemoei je er niet mee. Ik wil niet dat jij last krijgt. Ga maar aan de overkant staan.’ Ik voel me echt een sjlemiel. Altijd als er iets gedaan moet worden mag ik toekijken. Nooit laat hij mij het vuile werk opknappen. ‘Ik snap dat jij die smeris ook een les wilt leren. Maar laat het nu nog even  aan mij over. Jij krijgt je beurt nog wel. Als die moffen mij pakken heb ik pech gehad. Als ze jou meenemen kun je naar jouw diploma fluiten, einde van je school en wie weet wat er met jouw familie gebeurt. Dus hop, naar de overkant. Zo gauw het gebeurd is loop je terug naar huis.  Wacht daar maar op me, achter Carré’. Gehoorzaam steek ik de straat over. Jopie zoekt een flinke kei op. Even later sneuvelt de ruit van de voordeur van het café. Jopie staat op een afstand te kijken. De waardin vliegt naar buiten, gevolgd door een politieagent. Daarna komen er nog een paar lui de straat op. Jopie wijst in de richting van de dijk. ‘Daar rent ie, de smeerlap. Op weg naar Zeeburg’. Een paar van die gasten die naar buiten kwamen rennen de dijk af in de richting die Jopie aanwijst. Nu staat Jopie alleen met de bazin en de politieman. Luidt roept Jopie ‘dat zullen de Joden wel weer zijn. Die zijn natuurlijk hartstikke woedend dat er pas weer een paar honderd zijn opgepakt.’  ‘Smousen zijn het, ze moesten ze allemaal meenemen om ze in het oosten een koppie kleiner te maken’ beaamt de smeris. ‘Ja, oom agent. Dat zouden ze moeten doen’. Even kijkt Jopie in mijn richting maar hij draait zich meteen weer om. Zijn rechterhand glijdt naar zijn linker binnenzak. ‘Vertel eens oom agent. Heeft u ook geholpen met het oppakken van dat jodenvolk bij het Meijerplein?’ De man knikt. ‘Ja zeker, sinds de Duitsers het voor het zeggen hebben komen we eindelijk van die Joden, de communisten en al die andere ratten in onze stad af. Natuurlijk was ik er bij. Ik help het nieuwe gezag graag .’ Nu stapt Jopie recht op de man af. ‘Zeg eens, is uw naam Groothuis?’.  Even kijkt de agent Jopie verbaasd aan. Dan steekt hij zijn hand uit naar Jopie. ‘Inderdaad, brigadier Groothuis van het bureau Waterlooplein’. Verder komt hij niet. Als een bliksemschicht schiet de fietsketting door de lucht en raakt Groothuis midden in zijn gezicht. Nog een paar flinke klappen en trappen volgen. ‘Zo juffrouw, deze gast komt voorlopig niet meer bij jou zijn jenevertjes halen.’ Jopie laat de bazin verbijsterd achter en loop terug in de richting van de molen. Hard genoeg zodat ik het aan de overkant nog  steeds kan horen, roept hij naar de waardin ‘en zijn stoel op het politiebureau zal de komende weken ook wel leeg blijven’. Jopie zet het op een lopen.

Ik loop al een half uur heen en weer achter Carré. Het is nog steeds licht maar eigenlijk moet ik nu wel naar huis. Mama is vast heel druk. Overmorgen begint Pesach, de eerste seideravond. Jopie komt niet opdagen. Ik hoop niet dat ze hem te pakken hebben gekregen.

Mama is nog druk bezig aan het boenen. Ze vraagt niet of ik al gegeten heb. Dat doet ze eigenlijk allang niet meer wanneer ik laat thuiskom. Ze gaat er van uit dat ik wel ergens wat bij elkaar heb gescharreld. En daar heeft ze gelijk in. Papa legt de kaarten op een stapeltje. ‘Moet je vanavond nog bezorgen? Zal ik je helpen?’ ‘Nee, ga jij maar aan je huiswerk, het zijn er niet zoveel. Kijk eens hier Simon, dit stapeltje dat ik vanavond nog moet rondbrengen. Overlijdensberichten zonder een lewaje’. Geen lewaje? Wat bedoel je?’ Weer vier van die mannen die pas bij de razzia zijn opgepakt. “Overleden aan longontsteking of bronchitis in het Kamp Mauthausen”. Ik kijk papa verwonderd aan. ‘Mauthausen, waar ligt dat? Zijn dat die mannen van het Meijerplein?’ Papa knikt. ‘Ja jongen, al die arme kerels zijn uiteindelijk in Oostenrijk terecht gekomen, op een plek die heet Mauthausen. Het moet daar heel erg zijn.

“Overleden” in Mauthausen 1941
(Foto Archief Oorlogsgravenstichting)

Bijna iedere dag komt er wel een overlijdensbericht vandaan’. Zonder een spier te vertrekken loop ik naar mijn plekje en sla mijn schoolboeken open. Ik zal maar niets vertellen van ons avontuur vandaag met Groothuis. Eerst met die Anton op school hoe hij stond op te scheppen over hoe zijn vader meehelpt met het oppakken van de Jidden. En daarna hoe Jopie die oude Groothuis heeft toegetakeld. Zijn verdiende loon. Papa loopt de trap af met zijn kaarten in de hand. De voordeur slaat dicht. Mama boent stevig door in de keuken. Morgenavond moet het hele huis schoon zijn. We gaan chomeits battelen.

Heb ik geslapen? Is papa al thuis? Door de kier van mijn kamer zie ik dat het in de keuken nu ook donker is. Papa en mama slapen vast al. Er is lawaai op de gracht. Er rijden auto’s. Ik hoor soldatenlaarzen. Er wordt op verschillende deuren gebonsd. Nu ook op de onze. Ik spring uit mijn bed, schiet mijn broek in, trek mijn jasje aan en loop op kousenvoeten naar de veranda. Al het pesachgesjir staat al klaar. Ik doe mijn schoenen aan. In de tuinen beneden zie en hoor ik niks. De politie of de soldaten zijn alleen nog maar aan de voorkant. Ik klim over de balustrade en laat me aan de regenpijp naar beneden glijden. Zouden ze op zoek zijn naar Jopie of naar mij? Zouden we verraden zijn na vanmiddag? Ik kruip door de struiken achter de huizen langs tot ik bij de binnenplaats van de brandweerkazerne ben. Ik klim over de muur en verdwijn in het rommelhok waar ik mijn fiets altijd neerzet. Hier blijf ik maar tot de ochtend. Dan ga ik wel op zoek naar Luuc om te kijken wat we nu moeten doen.  Dat is zo onze vaste afspraak voor momenten zoals nu.

Het begint licht te worden. Piepend gaat de deur open. ‘Simon?’ klinkt het zachtjes. ‘Ja, Luuc, fluister ik terug. Wat is er gebeurd?’ Luuc komt naast me zitten. ‘Het hele Amsterdamse politiekorps is op zoek naar jou en naar Jopie. Vertel me straks maar wat er aan de hand is. Nu eerst de zolder op. Daar zit je veiliger dan hier.’ ‘Mijn vader, moeder? En mijn broertjes? Zijn de moffen bij mij thuis ook langs geweest?’ ‘Maak je geen zorgen. Iedereen is veilig thuis. Ze weten dat jij ook veilig bent. Alleen moet je niet terug naar huis gaan. En je school kun je ook wel vergeten. Jij gaat mee doen aan een nieuwe sport die in de mode is. Dat noemen we “onderduiken”. Net als jouw maatje Jopie.’ ‘Onderduiken? Ik onderduiken? Helemaal niet! Ik moet naar school. Na ons Paasfeest heb ik mijn eindexamen’. ‘Eindexamen hebben jullie gisteren al gedaan. Met die Groothuis. Jullie zijn grandioos geslaagd. En al dat andere wat je op school leert? Dat moet maar even wachten tot de moffen verdwenen zijn. Het is niet anders. Voor je eigen veiligheid’.

(Wordt vervolgd)

Lewaje: Begrafenis

Chazeirim: Varkens

Sjlemiel: Nietsnut

Smousen: Scheldwoord voor Joden

Seideravond: De eerste avond van het Pesachfeest

Chomeits battelen: Het huis onderzoeken om restanten van deegprodukten die tijdens de Joodse Paasweek niet in huis mogen zijn

Pesachgesjir: Het serviesgoed dat tijdens de Pesach week wordt gebruikt

Over Lody van de Kamp 41 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*