Of die handtekening onder die verklaring of ik ben vanaf vandaag geen rector meer van de HBS

Print Friendly, PDF & Email

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Aflevering 29

28 oktober 1940

Het gebeurt nooit dat ik zo maar op een maandagochtend bij de rector moet komen.  Behalve een ‘Goede morgen, Simon, ga zitten’ heeft hij verder nog niets tegen me gezegd. Wat is de bedoeling van dit gesprek? Ik heb goede cijfers, doe mijn huiswerk en kom bijna nooit te laat. Ook zorg ik ervoor dat ik de klas niet wordt uitgestuurd. Over een half jaar is het eindexamen en in deze onzekere oorlogstijden wil ik er voor zorgen dat ik in één keer slaag. Daarom wil ik ook geen les missen. Wie weet wat er nog allemaal staat te gebeuren. Dat ik hier en daar wat “boodschappen en klusjes” doe en dat ik ook op de hoogte ben waar Jopie en nog een paar mensen in het geheim mee bezig zijn, kan toch niet de reden zijn waarom de rector mij wil spreken? De rector tegenover mij zwijgt nog steeds in alle talen. Dat maakt mij toch wel een beetje zenuwachtig. Als ie niets te vertellen heeft, laat me dan maar terug naar de klas gaan. Dan hoef ik de rest van de scheikunde les niet te missen. Er is nog iets vreemds. Die paar keren dat ik in deze deftige kamer met al die volle boekenplanken aan de muur moest komen mij lag zijn bureau altijd vol met paperassen. Papieren en mappen maar ook vaak opengeslagen schoolboeken. Vandaag is het bureau helemaal leeg. Zou de rector niets te doen hebben? Hij schraapt zijn keel. Hij wil mij wat vertellen maar de stem klinkt zachtjes. ‘Simon, dit is waarschijnlijk een van de laatste keren dat wij hier tegenover elkaar zitten.’ Ik buig mij voorover om de rector beter te kunnen horen. De laatste keer? Hoezo? ‘Wat bedoelt u, meneer de rector?’ ‘Na vandaag moet je mij geen meneer de rector meer noemen. Vanaf vandaag ben ik voor jou gewoon meneer. Meneer Breedevoort.’ Ik begrijp echt niet wat de goede man bedoelt. Rector Breedevoort is geen rector meer? Is daarom dat bureau ook zo leeg? ‘Kijk, Simon, ik zal het jou uitleggen. Jij weet wat de Ariërverklaring is?’ Ik knik heftig. O, wat was papa daar boos over terwijl mama haar schouders ophaalde. “Doe niet zo opgewonden Herman. Alsof we niet wisten dat dit er ook aan zat te komen. Nederland is nu toch gewoon Moffrika?”

De Ariërverklaring

‘Ja, die Ariërverklaring moeten alle niet-joodse mensen invullen als ze willen blijven werken.’ ‘Dat klopt.’ De rector zucht diep. ‘Ik heb gezien Simon, hoe dapper jij bent en je niet uit het veld laat slaan tegenover die leerlingen op school die thuis hele verkeerde dingen te horen krijgen. Leerlingen van wie de vader of moeder lid zijn van die partij die ons land verraadt. De NSB’ers. Ik heb ook gehoord hoe je Drikus die jou uitschold tegen de grond hebt geslagen. Normaal gesproken mag ik zoiets niet toelaten. Maar nou ja. Dit vond ik een heldendaad.’ Ik voel dat ik een kleur krijg. ‘Trouwens, die Drikus heb ik over laten plaatsen naar een andere school. Zogenaamd voor zijn veiligheid. In werkelijkheid heb ik dit gedaan zodat jij geen last meer van hem zult hebben’. Opnieuw loop ik rood aan. Wat een toffe man is die rector eigenlijk. ‘Maar nu terug naar de Ariërverklaring. Deze heb ik als directeur van deze school geweigerd om te tekenen. Voor mij zijn Joden en niet-joden allemaal dezelfde scheppingen van de Heer.’ Dat “de Heer” klinkt in mijn oren niet-joods.  Rebbe Meijer of de Opperrabbijn hebben het in hun droosjes over “de Eeuwige”. Maar goed, de rector is niet-joods en hij gaat zondags naar de kerk. De rector vervolgt zijn verhaal. ‘Het tekenen van die Ariërverklaring is voor mij verraad. Verraad tegenover de Heer en tegenover Zijn Volk, de Joden. Daar zal ik mij zover het in mijn vermogen ligt nooit schuldig aan maken. Zo helpe mij G’d almachtig’. ‘Maar’, ik wijs naar het lege bureau, ‘hebt u hier dan geen werk meer? U gaat toch niet weg van school?’ De rector knikt. ’Inderdaad. Ik heb te horen gekregen dat ik moet kiezen. Of mijn handtekening onder die verklaring  of anders ben ik vanaf vandaag geen rector meer van de HBS. Voor mij is dat geen keuze. Ik zal op zoek moeten gaan naar een nieuwe baan.’ Ik ben verbijsterd en spring op. ‘Rector Breedevoort als u weggaat, kom ik ook niet meer naar school. Dan maar geen eindexamen. Zijn die moffen helemaal belazerd?’ De rector glimlacht. Hij doet nog één keer streng tegen mij. ‘Jongeman, mijn bureau is leeg, vanochtend heb ik al mijn spullen opgeborgen, straks ga ik naar huis. Maar zolang ik hier nog  in deze kamer zit wens ik niet dat jij dit soort taal uitslaat. “Belazerd”.  Dit is geen woord voor een echte Hbs’er.’ Ik mag dan een grote vent zijn, in de hoogste klas van de HBS, maar nu zit ik een potje te huilen voor de rector. ‘Ik wil niet dat u weggaat. Dat mag u niet doen’. De rector grijpt over zijn bureau heen mijn beide handen. ‘Simon, de situatie is ernstig. Voorlopig heb ik nog geen werk. Waar ik mijn gezin van moet gaan onderhouden, ik weet het niet. Maar de Heer is met mij. Hij weet dat ik een goede beslissing neem door niet te heulen met de vijand. De vijand van de Jood is de vijand van G’d. Hij zal wel zorgen dat mijn vrouw en mijn kinderen te eten krijgen. Maar jij, Simon, jij hebt nog een hele toekomst voor je. Een goede toekomst. Over een paar maanden heb jij jouw einddiploma op zak. Als de Duitsers dan eenmaal vertrokken zijn, kun jij gaan studeren. En uiteindelijk een goede betrekking krijgen. Dat mag jij niet opgeven.’ ‘Ja, maar als er voor u geen plaats is op school, dan heb ik hier ook niets te zoeken. U neemt deze stap voor mij. En voor de andere Joodse leerlingen hier. Hoe kan ik hier dan blijven?’ ‘Simon, luister. Totdat ik over een uurtje of zo de deur dichttrek ben ik nog jouw rector. Dat betekent dat jij hier op school doet wat ik jou vertel. Dat gezegd hebbende, blijf je best doen. Was het niet meneer Asscher van de diamantfabriek die er voor gezorgd heeft dat jij hier jouw plekje kreeg? Ook aan hem ben je dit verplicht. En wat mij betreft, maak je geen zorgen. Een mens die het goede doet wordt nooit door de Heer in de steek gelaten. Dat vertelt mijn Bijbel mij. En als je wilt dat ik toch jouw rector blijf, mijn adres is niet zover hier vandaan, Nassaukade 234. Ik woon op 1 hoog. Mocht je hulp nodig hebben als voorbereiding voor jouw examen, kom dan gewoon langs. Zo blijf ik in ieder geval een meester voor jou en weet ik dat jij je tanden op elkaar zet om door te gaan op school. Totdat je jouw diploma op zak hebt.’ De rector steekt zijn hand uit. ‘Spreken we dat af?’ Ik snuit mijn neus, wrijf over mijn ogen en pak zijn hand. ‘Ja meneer de rector dat spreken we af’.

Ik kan mijn gedachten niet bij de les houden. In plaats van naar het bord te kijken dwaalt mijn blik af naar het raam. Ik kijk uit over het schoolplein. Zie ik het goed? Daar loopt de rector. In zijn bruine regenjas, zijn hoed iets scheef op zijn hoofd. Zijn aktetas in zijn hand. Bij het hek draait hij zich om. Hij staat stil en kijkt naar de school. Hij blijft een minuut zo staan, gaat dan het hek door. Die verwenste moffen, met hun ariërverklaring!

Luuc luistert hoofdschuddend naar mijn verhaal. ‘Je weet het Van Gelder. Dit afscheid van jouw bovenmeester is nog maar het begin’. ‘Bovenmeester? Je bedoelt de rector’. ‘Nou ja, rector wat doet dat er toe. De man zit nu thuis. Het is oorlog. Hij heeft voor ons allemaal zijn baan opgegeven. Hij heeft vast een stoot kinderen daar thuis. Waar gaat hij morgen brood van kopen?’ Ik haal mijn schouders op. ‘Geen idee Luuc. Echt dat weet ik niet’. Mijn vriend zet zijn mok neer. ‘Kom ga mee’. Hij loopt het trappetje op achter zijn kamertje in de kazerne. Luuc doet de deur dicht en opent het voor mij bekende kastje onder de tafel. Vanuit het stapeltje trekt hij een bruine envelop naar voren. ‘Simon, vanavond als het donker is fiets jij naar de Nassaukade. Je weet het nummer toch nog wel waar de meester woont? Je stopt deze envelop in zijn brievenbus. Dan kan ie in ieder geval de eerste twee weken vooruit.’ De dag die zo slecht begon heeft toch nog een beter einde voor mij gekregen. Meneer Breedevoort heeft gelijk. Hakodousj Boroech Hoe, de Eeuwige of de Heer, hoe je Hem noemt doet er niet toe. Een mens die het goede doet wordt nooit door Hem in de steek gelaten.

(Wordt vervolgd)

Over Lody van de Kamp 36 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*