“Heb je dan niet gelezen wat er in het Joodse krantje stond?”

Print Friendly, PDF & Email

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Deel 27

1 augustus  1940

Tante Selma hangt bijna elke avond bij ons rond, met de kinderen. En dan zit ze de hele tijd te janken. Ik begrijp dat wel. Oom Levie is niet meer thuis gekomen. Bij het gevecht tegen de moffen is hij ‘gesneuveld’. Dat woord had ik net geleerd bij geschiedenis. ‘Gesneuveld’.  Moet ik nu verdrietig zijn of moet ik juist trots zijn op mijn oom? Michiel de Ruyter is ook nooit gewoon doodgegaan. Hij is als een held gesneuveld. Papa zegt ‘Wat nou gesneuveld. Levie is kapot geschoten. Net als al die andere soldaten.’ Het komt steeds vaker voor dat ik het niet eens ben met papa. Oom Levie is wel een held. De rector op school zegt dat iedere soldaat die tot het laatste moment heeft doorgevochten een held is. En dan vind ik dat oom Levie dus “gesneuveld” is net als Michiel de Ruyter. Helemaal niet gewoon kapotgeschoten. ‘Simon, ga nou maar aan je huiswerk en zeur me de oren niet van mijn hoofd met jouw geprakkiseer. Misschien is het nog wel beter zo dat oom Levie olef hasjlolem1is. Anders hadden de moffen hem gevangen genomen en meegenomen naar Duitsland. Net als al die andere soldaten. Wie weet wat er dan met hem was gebeurd.’

Ik kruip achter mijn bureautje onder te trap en sla de atlas open. Rhenen, de Grebbeberg. Ja, nu zie ik waar dat is. Niet eens zo heel ver van Amsterdam. Als het allemaal weer wat rustiger is ga ik vast een keer zijn graf opzoeken. Mama heeft in ieder geval de jaartijddag2genoteerd.

De Grebbeberg (Foto: De Nederlandse Krijgsmacht)

‘Dat wordt dus een melkkost-sjabbes. Geen kruimeltje vlees in de slagerij. Mevrouw Samuel had nog wel twee stinkende kippen hangen. Maar die waren vast nog van vorige week. Ik heb ze daar maar gelaten. En op de markt was er ook al niets meer te krijgen.’ Ik kijk mama vragend aan. ‘Hoezo? Wat is er dan?’ ‘Heb je niet gelezen wat er in het “Joodse Krantje” stond? De moffen laten ons niet meer koosjer slachten.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Dan maar een melkkost sjabbes. Rebbe Meijer zei vorige week in sjoel nog “We hebben Haman overleefd. Dus overleven we die Hitler ook wel”. Mama kijkt me streng aan. ‘Ik vind het allemaal best wat rebbe Meijer in sjoel zegt. En het is natuurlijk jofel dat jij naar hem luistert. Je bent wat dat betreft precies je vader. Maar jullie doen verdorie net of het in Moffrika ook niet zo is begonnen.’ ‘Mama, ik moet nu echt mijn huiswerk afmaken. Ik wil niet nog een onvoldoende voor mijn Engels.’ Mama loopt de gang in. ‘Eigenlijk ben ik best trots op je Simon. Jij gaat gewoon door met waar je mee bezig bent. Ik zou willen dat ik zo was’.  

Het begint al een beetje licht te worden. Op de plaats achter de grote slachthal branden de lantarens nog. Jopie grijpt een kip uit de krat en geeft hem over aan de sjouchet3. Met een snelle haal slacht hij het beest, laat het bloed van het spartelende dier op grond uitdruppelen en duwt het dier meteen in de lege krat die aan de andere kant van hem staat. Zo worden er een stuk of twintig kippen geslacht. Jopie blikt voortdurend om zich heen maar er is niemand in de buurt. Als de sjouchet klaar is dragen we de dooie beesten naar het afdak. Hoe Jopie het lukt te organiseren weet ik niet. Maar daar, beschut door het afdak, zitten twee van die plukvrouwen van de markt met kippen op hun schoot die ze ontdoen van hun veren. ‘Een mens moet wat doen voor zijn parnose4’ grijnst Jopie. ‘Hier Simon, deze twee kippen zijn voor jullie. Wikkel ze maar in deze kranten en neem ze mee naar huis. Heb jullie toch nog een fleisige sjabbes’.

Mama’s gezicht is een en al verbazing. ‘Kip, waar heb je die vandaan? Weet je zeker dat ie koosjer is?’ ‘Hier, kijk naar de loodjes. Van het rabbinaat. Ze zijn vanochtend geslacht. Heel vroeg en heel stiekem. Door de sjouchet’. ‘Maar hoe dan?’ ‘Dat ga ik je nu niet vertellen. Ik moet naar school, anders kom ik te laat’. Voor deze ene keer laat ik me net als vroeger door mijn moeder knuffelen. ‘Ik zet ze in de koosjermaak-bak met water en dan in het zout5. En ja, de hebben we toch nog kip voor sjabbes’.  ‘Mama, voor dat zout kun je je tranen wel gebruiken’. Mama snuit haar neus en knikt.

‘Wat heb jij nou op je kop?’ Jopie grijnst. ‘De helm van mijn pa. Van de luchtbeschermingsdienst.’ ‘Luchtbeschermingsdienst? Ja, daar is je vader van. Mag jij dan met zijn helm lopen?’  ‘Simon, professor. Natuurlijk mag dat niet. Pa mag dat ook niet meer. Seis Hinkepink6, de moffenbaas in Den Haag, heeft deze maand immers alle Jidden uit de luchtbescherming gegooid. Mijn pa moest naar het kantoor komen om deze helm, zijn laarzen en zijn zaklamp in te leveren. Dat heeft ie natuurlijk vertikt. “As se mij niet meer motten, motten ze m’n spullen ook niet meer”. ‘Je hebt gelijk, welke moffenvriend wil nou nog een helm die een Jiddisj mannetje eerst heeft gedragen op zijn gore ariërs kop’. Jopie duwt de helm naar achteren zodat ie niet over zijn ogen valt. ‘Veel plezier in de klas. Ik ga wat koebeesten slachten’. Hij slaat me op mijn rug en trapt hard door, de Weesperstraat in.

Affiche Luchtbeschermingsdienst (Foto: Omnia)

Verzet blijft voor Jopie niet alleen bij heel vroeg ’s ochtends in het half donker stiekem kippen slachten voor de buurt. Of met die helm van de luchtafweer naar zijn werk op het abattoir te fietsen. Het knokken van vóór de oorlog met die landverraders is ook maar kinderspel met waar mijn vriendje nú mee bezig is. We hebben onszelf  weer eens getrakteerd op een bolus van De Liever. Het stoepje achter de Neie sjoel is ons geliefde plekje geworden om ’s avonds af te spreken. Jopie kijkt om zich heen. Er is niemand te zien. ‘Hier, niet over smoezen. Emmes? Beloof je?’. ‘Emmes. Natuurlijk.’ Jopie frommelt wat met zijn broekriem.’ Hier, deze heb ik vanmiddag gebruikt’. Ik doe meteen drie stappen achteruit. Een echte revolver. ‘Hoe kom je daar aan? Je hebt dat ding gebruikt. Hij stinkt naar kruit’. ‘Ja, wat dan? Denk je dat ik hem bij me heb voor de kapsones7? Nee, hoor. Dat ding doet het echt.’ Ik staar Jopie ongelovig aan. ‘Vertel’. Weer kijkt hij om zich heen. ‘Jij weet toch van mijn maatjes op het abattoir? ‘Ja, ja, met wie je die kippen regelt.’ ‘We doen nog veel meer. Buiten de stad, achter Zaandam, ergens bij de dijk op de boerderij slachten we zo nu en dan een koe. Soms ook koosjer, als dat kan. Een goed handeltje. Vorige week stond ineens zo een landverrader op het erf. Met een grote herdershond. Eerst hebben we die vent gedreigd dat ie zijn kanes moest houden over het slachten. Toen lachte die nog. Vanmiddag stond ie er weer met dat hondenbeest. Twee minuten later kwam een veldwachter er ook bij. De sjouchet hebben we gauw achter de hooimijt in de plee verstopt. En dat koebeest hebben we zelf maar om zeep geholpen, niet koosjer. O, wat keek die vent vals. Hij joeg zijn gore keilef 8 op de boer af. Net voor dat het beest de boer te pakken kreeg schoot mijn maat dat kreng neer. Die verrader rende zo hard als ie kon de dijk af. De veldwachter was allang doorgefietst. Ik moest dit pistool mee naar huis nemen. Die verrader weet niet waar ik woon. Hier in de stad, op de gracht zullen ze vast niet komen zoeken. Morgen geef ik het weer terug.’

De grote vakantie is nog maar net voorbij. Ik zit nu in de vijfde klas. Mijn eindexamen komt er aan. Veel tijd heb ik niet om mee te doen met waar Jopie allemaal mee bezig. School vraagt bijna al mijn tijd. Ook Luuc dringt er de hele tijd op aan om me nu maar zo veel mogelijk op mijn schoolwerk te richten. ‘Die klusjes die blijven wel. Die moffenbaas heeft me verteld dat hij voorlopig nog wel in het land blijft. En de koningin heeft me ook geschreven dat ze nog geen zin heeft om terug te komen’.

Eén ding doe ik ieder week voor Jopie. Op vrijdagmiddag moet ik hem komen vertellen wat er nu weer in het Joodse krantje staat over wat we niet meer mogen. ‘Binnenkort mogen  we niet meer voor de gemeente werken en ook niet meer voor het rijk. Mijn moeder zegt dat het hier steeds meer op Duitsland gaat lijken.’ Jopie gaat staan. Rechtop. Hij kijkt me strak aan. ‘Simon. Je weet dat wij het thuis niet breed hebben. Dat mijn vader van vroeg tot laat moet sappelen om ons te eten te geven. En waar die grote zus van mij mee bezig is, dat wil je niet weten. Die hangt op allerlei verkeerde plekken rond. Ik heb echt met pa te doen’. Jopie zwijgt even. ‘Je weet dat de kleintjes nog steeds in het weeshuis zitten. Dat is ook niet echt jofel voor ze. Maar ja, beter dan thuis. Waar ze nu wonen worden ze in ieder geval op tijd in bad gestopt en krijgen ze schone kleren.’ ‘Ja, Joop, ik weet dat ze daar zitten. Menno op de Zwanenburgwal en Evelientje in het meisjeshuis in de Rapenburgerstraat’. ‘Simon’, weer kijkt mijn vriendje mij strak aan, ‘Er kan een moment komen dat ik er niet meer ben. Dat ik ineens moet verdwijnen. Verstopt, ondergedoken. Misschien wel gevlucht. Voor een paar dagen, voor een paar weken. Mogelijk langer. Dat heeft alles te maken met wat ik nu om handen heb. Beloof jij me dat je zo nu en dan het weeshuis binnengaat om te kijken hoe het met mijn broertje en kleine Evelientje  gaat? Misschien hebben ze iets nodig.

Joodse weeshuiskinderen ( Foto Haags Gemeentearchief)

Over die grote zus hoef je je geen zorgen te maken. Die maakt zich ook geen zorgen over ons en die heeft genoeg kerels om zich heen die haar te eten kunnen geven. Of weet ik veel wat. En, als je mijn vader tegenkomt, misschien kun je dan een beetje op hem inpraten om toch vooral de fles te laten staan. elk dag lechajim is te veel van het goeie. Hij verdrinkt zijn sores. Om de dag hebben we daar bonje over. Vannacht om twee uur heb ik hem bij Schele Willem uit de kroeg moeten halen. Simon, beloof je dat je dit voor mij gaat doen?’ Ik steek mijn hand uit. ‘Joop, op mij kun je rekenen.’ ‘Ik weet het maatje van me. Ik weet het.’ Hij trekt me naar zich toe en we omhelzen elkaar.’ Het is een rottijd. Maar ik weet wel dat ik een goeie vriend heb. Een echte gabber. Op wie ik kan vertrouwen en van wie ik weet dat hij mij vertrouwt. En dat is juist nu heel veel waard.

(Wordt vervolgd)

———————-

  1. Vrede zij met hem
  2. Overlijdensdatum
  3. Koosjer slachter
  4. Broodwinning
  5. Om de bloedrestanten na het slachten te verwijderen moet vlees eerst een half uur in water en daarna een uur in zout worden geweekt
  6. Een van de bijnamen van Arthur Seyss Inquart, de rijkscommisaris van het door Duitsland bezette Nederland
  7. Opscheppen
  8. Hond
Over Lody van de Kamp 36 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*