Doet niemand dan iets? Waarom houden die smerissen op hun paarden die moffen niet tegen?

Mokum aan de gracht
tekst: Lody van de Kamp
Print Friendly, PDF & Email

Mokum op de gracht is een roman over Joods Amsterdam
door Lody van de Kamp
verschijnt in feuilletonvorm in
De Vrijdagavond
Aflevering 26

ngen

15 mei 1940 

Vanochtend zitten we voor het eerst weer in de klas. Wat ben ik blij dat ik thuis even kan ontvluchten. Toen we vrijdagochtend hoorden dat de moffen de grens waren overgestoken brak thuis paniek uit. Mama ging niet naar ‘t werk. Papa kwam na een half uur alweer thuis. Hij gooide zijn fiets tegen de muur, rende de trap op en zat de rest van de dag bij de radio.
Mama wisselde haar huilen af met haar Tehillim-boekje1. Het duurde niet lang tot tante Selma de trap op stommelde. ‘Levie. Levie zit precies waar nu gevochten wordt tegen de Duitsers. O, G’d, als die man van me maar levend weer thuis komt’. In de brandweerkazerne weet een van de kerels me te vertellen dat Luuc er niet is. Toen hij hoorde dat de oorlog was begonnen is ie meteen naar Zeeland vertrokken om te zien hoe het daar met zijn familie zit. Ik ging naar school. Maar een uur later was ook ik weer thuis. Het gebouw zat op slot. Sjabbes bleef tante Selma de hele dag met de kinderen bij ons. Om de haverklap liep ze naar het raam. Alsof dat oom Levie thuis zou brengen. Papa nam me mee naar het vroege minjen in sjoel, om half zeven ’s ochtends. Half zeven! En dat voor sjabbesmorgen. Daar werd niet veel over de oorlog gesproken. In dit vroege minjen wordt er sowieso weinig gesmoesd, anders dan in die andere sjoels. De rabbijn hield een droosje. Papa vond het maar niks. ‘Wat heet! We moeten niet bang zijn. Wat heet! We moeten ons maar gedeisd houden’. Als ik er niet bij was geweest was papa terwijl de rabbijn nog aan de praat was misschien de sjoel wel uitgelopen. Papa vouwt aan het eind van de dienst zijn talles op, grijpt mijn hand en met grote stappen beent hij naar buiten. ’Hiermee gaan we nooit een oorlog winnen. Onze soldaten worden de strijd in gestuurd op verroeste fietsen en wij Jidden moeten ons gedeisd houden’. De hele sjabbes blijft papa zo opstandig. Zo ken ik hem echt niet. Direct na hawdolo gaat de radio weer aan. En ook de hele zondag. ‘Er wordt door onze soldaten hard gevochten. De Grebbeberg hebben ze nog steeds in handen. Het leger probeert het daar vol te houden tot de Engelsen de zee zijn overgestoken om ons te helpen’. Dit bericht dat papa op de radio had gehoord geeft me wel weer wat moed. Zo ver is Engeland niet. De boot vanaf Hoek van Holland doet er minder dan een dag over. Ik ga naast mama zitten en samen zeggen we tehillim. Mama zegt dat dit altijd helpt, bij alle sores. Hopelijk houden de mannen op de Grebbeberg het nog even vol. Ook oom Levie.

De aardrijkskundeles is nog maar nauwelijks begonnen of de rector komt binnen. Hij fluistert de meester wat in zijn oor en loopt meteen de klas weer uit. ‘Jongens en meisjes, boeken en schriften dicht. Allemaal naar de aula.’.

In die aula is het muisstil. De oorlog is begonnen. Wat gaat er gebeuren? ‘Dames en heren, ik zal het niet lang maken. Ik heb enkele mededelingen.’ Het anders zo rooie gezicht van de rector ziet er bleek uit. Zijn trillende handen legt hij op de randen van de lessenaar. ‘Dames en heren, vanmiddag is het een droeve dag voor onze stad Amsterdam en voor de rest van Nederland. Duitse militairen zijn inmiddels zover ons land binnengedrongen dat zij over enkele uren onze stad bereiken. Dat is het einde van onze vrijheid. Daarnaast heeft Hare Majesteit Koningin Wilhelmina vandaag samen met onze regering het land verlaten.

Koningin Wilhelmina vlucht naar Engeland 15 mei 1940

Vanuit het vrije Britse Koninkrijk zal de regering onder haar leiding alles in het werk stellen om de vrijheid opnieuw te bevechten. Onderhand strijden onze heldhaftige soldaten moedig door. Heftig wordt er gevochten op de Grebbeberg in de provincie Utrecht.  Ook enkele van onze meesters vechten daar voor ons allen. Wij zijn heel trots op hen. Tenslotte’, de rector slikt, het lijkt wel of hij in huilen uit gaat barsten, ‘tenslotte dit. Zojuist bereikte ons het droevige bericht dat wij twee van onze collega’s nu al moeten gaan missen. Vanochtend werd onze geliefde biologie-docente, juffrouw Boas ten grave gedragen. Samen met haar ouders en haar jongere broer. De moedeloosheid van oorlogstijd is hen nu al boven het hoofd gestegen. En hetzelfde lot heeft onze conciërge, de heer Jacobson, getroffen. De Heere zal zich over hun zielen ontfermen’. Ik grijp me vast aan mijn stoelleuning.  Begrijp ik dit goed? Juffrouw Boas? Haar vader en haar moeder? Haar broer? Hoe zijn zij overleden? En de conciërge ook? Hier in Amsterdam zijn er toch nog geen moffen? De rector heeft zijn rooie gezicht terug. Hij staat nu weer stevig op zijn benen. ‘Dames en heren, hier op school zullen wij onze ruggen recht houden’ De bekende rector-vinger zwaait dreigend in onze richting. ‘Wij weten dat het verraad overal aanwezig is. Zij die heulen met de vijand van ons vaderland zitten ook hier onder ons. Hier. En nu. Ik als rector van onze “Amsterdams Derde Hogere Burger School met 5-jarige cursus” zal hun gedrag niet tolereren. De tirannie zullen wij verdrijven. Leve de Koningin, leve de Koningin, leve de Koningin! Jullie gaan nu terug naar jullie klassen’. ‘Heb je gehoord wat de grote baas zei?’ hoor ik achter me. ‘Hij denkt dat de Nederlanders nog steeds de baas zijn.’ Ik kijk om. Drikus loopt samen met een van zijn NSB-vriendjes de aula uit .’Wacht maar tot mijn vader hier binnenkort op school komt. Dan zorg ie er wel voor dat die vent als rector de school wordt uitgegooid. Voor anti-Duitsers is er in Nederland geen plaats meer.’ Drikus stoot zijn vriend aan, diens rechterhand gaat omhoog ‘Sieg Heil’ fluistert hij. Mijn rechtervuist schiet uit. Drikus wordt vol in zijn gezicht geraakt en zakt als een zoutzak in elkaar. Zonder nog om te kijken ren ik naar buiten, zo hard al ik kan, spring op mijn fiets en ga er vandoor. Op het Weesperplein durf ik pas af te stappen. Nou maar eens kijken hoe dit verder afloopt. De rector zal hier vast niet blij mee zijn. En papa ook niet. Maar goed, dat zien we vanavond wel. Het heeft nog niet zo veel zin om nu al naar huis te gaan. Dan moet ik te veel uitleggen. En huiswerk kan ik ook niet maken. Mijn tas met spullen ligt nog op school.

Wat zei de rector ook alweer? De moffen komen vandaag de stad in? Waar komen ze dan vandaan? En waar gaan ze in de stad naar toe? Ik fiets de Blauwbrug over. Op weg naar de Vijzelstraat is het heel druk. Waar komen al die mensen vandaan? Sommigen hebben bloemen in hun hand. Hele drommen staan op de stoep. Waar wachten die op?  Met mijn fiets ga ik er ook maar tussen staan. Ik sta nu onder de Munttoren en kijk uit op het Rokin. Nee toch, daar komen ze! De moffen. Eerst een heleboel auto’s met allemaal soldaten! Dan kerels in leren pakken met dat Nazi teken erop op motoren met een zijspan. Heel veel. Er komt geen eind aan die stoet. Nu zie ik ook de verraders van onze stad. Heel veel armen gaan omhoog. ‘Heil Hitler! Heil Hitler! Vrouwen stappen naar voren en duwen soldaten bloemen in hun hand. Jonge meiden omhelzen een soldaat. Ik snap het niet. Doet niemand dan iets?

Waarom houden die smerissen op hun paarden die moffen niet tegen? Die staan alleen maar toe te kijken. Deze politiemannen maken zich meer zorgen over dat de mensen netjes op de stoep blijven staan dan dat vanaf vandaag Hitler de baas is ons land. Mijn woede maakt plaats voor een grijns. Hopelijk heeft Drikus een dik blauw oog en een gebroken neus. Ik heb mezelf tenminste nu al verzet tegen die rotmoffen. Meteen al aan het begin van deze oorlog.

Duitse militairen in Amsterdam 15 mei 1940

Papa zit thuis achter een grote stapel rouwkaarten. ‘Moeten die vanavond nog weg? Zo veel? En waarom heb  je zes stapeltjes?’ ‘Simon zeur me niet aan mijn hoofd. Het is voorbij. Het is afgelopen’. ‘Afgelopen? Wat bedoel je?’ Papa zet de radio zachter. ‘Ons leger heeft zich overgegeven. De soldaten zijn gevangen genomen door de moffen. De Koningin met de ministers hebben de benen genomen. Wij zijn aan de nazi’s overgeleverd.’ ‘Is oom Levie ook gevangen genomen?’ ‘Weiss Ich viel. Geen idee. Dat zullen we wel horen. Voorlopig moeten al deze kaarten vanavond op de bus. En waarom zo veel?  Omdat veel mensen het niet meer zien zitten. Deze zijn niet gaan zitten wachten tot de moffen hier hetzelfde doen met ons Jidden zoals ze dat in Duitsland al lang doen.’  Ik zie de trillende handen van de rector voor me en vertel papa over juffrouw Boas, mijn biologielerares.

Papa pakt een kaart van een van de stapeltjes. “De Begrafenisvereniging Gemillus Chassodiem geeft kennis van het overlijden van de heer Hartog Boas 59 jaar, Sientje Boas-Visschraper 57 jaar, Johanna Boas 24 jaar en Sallo Boas 18 jaar, Sarphatistraat 236 hs. Er wordt geen sjiwwe2 gehouden”. Door mijn tranen zie ik papa ook huilen. Het is afgelopen.

(Wordt vervolgd)

——————–

1.Psalmen. Deze worden geciteerd in gebedsvorm om hulp, genezing etc. te brengen

2. Rouwbezoek

Over Lody van de Kamp 36 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*