Een vochtig gedicht

Paul Celan over zijn bezoek aan Martin Heidegger

beeldmerk Poëzie van de twintigste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

Alle gedichten vragen om inleving en die van Paul Celan (1920-1970) zijn wellicht de meest veeleisende van de twintigste eeuw. Celan probeert een werkelijkheid onder woorden te brengen die zich daartegen verzet, omdat zij ‘onuitstaanbaar’ is. 

Zoals van heel de poëzie van Celan, is de Shoah ook in dit gedicht de ‘onuitsprekelijke’ context, de moord op zijn volk en directer op zijn moeder en vader. Zelf ontsnapte hij toen ternauwernood, maar bleef sindsdien permanent op de vlucht voor de dood, zich uitend én schuilend in haast ondoordringbare gedichten. 

Het hieronder besproken gedicht ‘Todtnauberg’ van Paul Celan gaat over een historisch belangrijke gebeurtenis: het bezoek, eind juli 1967, van de grote dichter Paul Celan aan de beroemde filosoof Martin Heidegger (1889-1976) in zijn Todtnauhütte, de hut op de Todtnauberg bij Freiburg im Breisgau, waar Heidegger al sinds 1923 zijn denken op papier zette. 

Op het eerste gezicht is het een onbegrijpelijke verzameling woorden, een opsomming van sporen die verwijzen naar een gebeuren waarvan men de details moet kennen om hun samenhang te begrijpen. Alle gedichten vragen om inleving, maar die van Paul Celan zijn wellicht de meest veeleisende van de twintigste eeuw. Niet vanwege een hooghartige behoefte aan onbegrijpelijkheid, maar omdat Celan een werkelijkheid onder woorden probeert te brengen die zich daartegen verzet. Over dit gedicht bestaat al een flinke bibliotheek vol commentaren. Ik maak hier vooral dankbaar gebruik van de paar bladzijden waarin Axel Gellhaus de belangrijkste bevindingen samenvatte.*

Heidegger ontmoet Celan op 24 juli 1967 bij gelegenheid van een zeer druk bezochte lezing van de dichter in Freiburg en nodigt hem uit in zijn schrijfhut, want ‘Het zou heilzaam zijn om Paul Celan ook eens het Zwarte Woud te laten zien’. Zoals veel geassimileerde Joden – Hannah Arendt, Hans Jonas, Herbert Marcuse – was Paul Celan een groot bewonderaar van Heideggers werk, mede vanwege beider band met de grote Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1770-1843). Maar hij was ook geschokt door Heideggers engagement met het naziregiem en zijn filosofische antisemitisme dat in die jaren zestig steeds meer aan het licht kwam. Hij hoopte het hardnekkige zwijgen van de filosoof over de Shoah te doorbreken. Heidegger bewonderde Celan als dichter, omdat hij een sterke verwantschap zag tussen denkers en dichters als de herauten van de waarheid. 

Todtnauberg

 Arnika, ogentroost, de
 dronk uit de bron met de
 sterren-teerling daarop,
 in de
 hut,
 de in het boek 
 - wiens naam nam het op
 voor de mijne? -,
 de in dit boek
 geschreven regel over
 een hoop, vandaag,
 op een van een denkende
 komend 
 woord
 in het hart,
 bosweiden, ongeffend,
 orchis en orchis, ieder voor zich,
 hardvochtigs, later, onder het rijden,
 duidelijk,
 die ons rijdt, de mens,
 die het mee aanhoort,
 de half-
 bewandelde knuppel-
 paden in het hoogveen,
 vochtigs,
 veel. 
 
1.
 Arnika, ogentroost, de
 dronk uit de bron met de
 sterren-teerling daarop,
 
‘Het zou heilzaam zijn,’ had Heidegger gezegd, als Celan kennis zou maken met het Zwarte Woud. Celan begint zijn gedicht met twee ‘heilzame’ planten: Arnika en ogentroost zijn geneeskrachtige kruiden. En daarna volgt een heilzame dronk uit de bron naast de hut. 
Bij die bron, bovenop de paal met de kraan, staat een ster, een Sternwürfel, een sterren-teerling. De teerling is de dobbelsteen van het (nood)lot, het Geschick, de ‘beschikking’ door het ‘Zijn’, dat een belangrijke rol speelt in de Heideggers filosofie. De mens is in het leven (Dasein) geworpen, als een dobbelsteen, een ‘Würfel’. De meerzijdige ster verwijst naar de Davidster als symbool van het Joodse volk dat als ‘jodenster’ het symbool werd van de Shoah - het Joodse noodlot. Zo vat Celan de spanning tussen hem als Joodse dichter en de filosoof in één woord samen.  

 2.
 in de
 hut,
 de in het boek 
 - wiens naam nam het op
 voor de mijne? -,
 de in dit boek
 geschreven regel over
 een hoop, vandaag,
 op een van een denkende
 komend 
 woord
 in het hart, 
 
De toon van de hoop - het heilzame - is gezet. Dan betreedt Celan de hut. Daar ligt een gastenboek vol beroemde namen van eerdere bezoekers. Eerste vraag die bij hem opkomt: ‘wiens naam nam het op voor de mijne?’ Wie van die bezoekers heeft het voor de Joden opgenomen? En dan schrijft hij er zelf een regel in. Wat hij precies schrijft, zegt het gedicht niet, maar het gaat over ‘een hoop, vandaag, / op een van een denkende / komend / woord / in het hart.’ Celan hoopt op een woord van Heidegger, een verantwoording, vandaag of, ‘komend’, in de toekomst, een woord dat in het hart treft, in het hart van de zaak, van de dichter. 
Het gastenboek is overigens bewaard gebleven. Celan schreef letterlijk: ‘In het hutboek, met uitzicht op de bronster, met hoop op een komend woord in het hart’. 

 
3.
Bosweiden, ongeffend,
orchis en orchis, ieder voor zich,
 
Dan volgt er een wandeling door de omgeving. De sfeer is geladen en de omgeving roept bij Celan beelden op van de Shoah. De hobbelige bosweiden doen hem denken aan overwoekerde grafvelden, ongeëffend. ‘Todtnauberg’ betekent: dodenakker op de berg. En daarop staan en gaan, twee ‘orchideeën’, twee spraakmakende mannen, ‘potent’ van geest (Orchis of Hode, zaadbal, ook wel Knabenkraut, heeft een seksuele connotatie als afrodisiacum). orchis en orchis, ieder voor zich, door een wereld van elkaar gescheiden. 
 
4.
hardvochtigs, later, onder het rijden,
duidelijk,
 
die ons rijdt, de mens,
die het mee aanhoort,
 
Omdat het regent wordt de verkenning van de omgeving in de auto voortgezet. Het gesprek daarin, wordt met één woord getypeerd: ‘Krudes’. Krude betekent ruw, grof, onverteerbaar, hier verzelfstandigd: ruws, grofs, onverteerbaars. Ton Naaijkens vertaalt het met ‘grofheden’.**  Maar daar was Heidegger te ‘beschaafd’ voor. Ik koos, mede met het oog op het slot van het gedicht, voor ‘hardvochtigs’. Keihard is het gesprek, pijnlijk duidelijk. Waar gaat het over? Uiteraard over de hoop van Celan op een (ant)woord van die denker. maar die kán dat vanuit zijn denkwereld niet geven, omdat die denkwereld vergeven is van de verkettering van het ‘Jodendom’, zoals in 2014 nog eens werd bevestigd met de publicatie van Heideggers lang geheim gebleven filosofische dagboeken, de  Schwarze Hefte. Dat is hardvochtige kost.
Wat er precies besproken is vertelt het gedicht niet, maar ‘die ons rijdt, de mens, / die het mee aanhoort,’ - de chauffeur van de auto, zal later vertellen dat het een ‘opzienbarend’ (epochemachend) gesprek was. 
 
5.
de half-
bewandelde knuppel-
paden in het hoogveen,
 
Het gedicht vervolgt met een toespeling op een bekend begrip van Heidegger: ‘Holzwege’, metafoor voor de moeilijk begaanbare bospaden van zijn filosofie, die hij nu met Celan vanwege de regen ‘half’ bewandelt. En waar Celan ook maar half in kon meegaan. Die bospaden noemt de dichter hier ‘Knüppelpfade’, knuppelpaden, een associatie met de spitsroedenloop tussen slaande knuppels door die de ten dode opgeschreven kampbewoners moesten gaan. knuppelpaden in het hoogveen, de grondsoort waarop veel dodenkampen gebouwd zijn. 
 
6.
vochtigs,
veel.
 
Met deze twee lapidaire woordjes eindigt het gedicht. Want vocht is er veel: de regen, de zompige knuppelpaden, de druipende bomen. Maar in Celans poëzie verwijst het ook naar de al of niet ingehouden tranen van zijn wanhoop en naar de stromen vergoten bloed. De hoop van het begin op het heilzame, de troost, is vooralsnog in rook opgegaan of beter: verdronken. 
 
Celan zal het nog een keer met Heidegger proberen. Na verwarrende wederzijdse levenstekens vindt op Witte Donderdag, 26 maart 1970 een tweede en laatste ontmoeting plaats. Op 20 april maakt Paul Celan met een sprong in de Seine een eind zijn leven. De titel van het gedicht en zijn ‘plaats delict’ Todtnauberg - dodenakker op de berg - voorspelden al niet veel goeds. 
 

 *Axel Gellhaus, ‘Seit ein Gespräch wir sind. Interpretation des Gedichts Todtnauberg’, in  Gedichte von Paul Celan, Reclam Interpretationen 2002, blz. 161-174
 ** Paul Celan, Verzamelde gedichten. Uit het Duits vertaald door Ton Naaijkens, Amsterdam 2003, blz. 596. Herziene uitgave in 2020.

Over Kees Kok 13 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

2 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*