‘Nooit over praten. Dit is voor later. Wanneer het eenmaal zo ver is’.

Mokum aan de gracht
tekst: Lody van de Kamp
Print Friendly, PDF & Email

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Deel 20

Zondag 18 juni 1939

‘Hebben die lui nou niks anders aan hun hoofd dan op sjabbes met zo een ra’as1 door Zandvoort te karren?’ ‘Wat zanik je nou Herman. Geniet nou maar van deze sjabbes aan zee. Weg van de ellende. Hier heb je geen radio die iedereen gek maakt. Levie en Selma hebben ons uitgenodigd. Het kost geen cent.

Eerste autoraces in Nederland (Foto: Autosport.nl)

En als die gojim er nou lol in hebben om met hun vehikeltje de straten van dit gat onveilig te maken. Nou, dan doen ze dat maar.’  Voor het raam van de Vivo staan we voor een groot aanplakbiljet: “De prijs van Zandvoort”.

Papa geeft mama een arm. ‘Je hebt gelijk, laten we maar genieten. Het kost ons geen mezomme. Trouwens’, papa kijkt mij nu aan, ‘Simon, ken jij dit liedje?’ Papa staat  midden op de boulevard en zingt “De olieman van ’t pleintje ging zijn radio verpanden, hij was blasé van het goede en verbrak de aetherbanden, en toen met oome Jan zijn zeven tientjes in zijn handen had hij op ’t autokerkhof een vehekeltje gekocht”. Natuurlijk ken ik dit liedje. Om de haverklap laat papa dit horen. Of hij zingt “Jan de bakker, het me zondag uitgenodigd, voor een wedstrijd tussen Ajax en Blauw Wit”.

Eigenlijk had ik helemaal geen zin om naar Zandvoort te gaan. Papa en mama zitten dan de hele dag op het strand in zo een grote stoel. Papa leest de krant en mama borduurt. Dat snap ik sowieso niet. Wat moet mama als ze er al een dagje uit is nou weer met dat garen en die naalden. Mama naait de hele week al. Onderhand moet ik voor Brammetje en Jaap emmertjes zand vol scheppen en modder maken. Bah. Als er iets is waar ik een afschuwelijke hekel aan heb is het wel het strand. Dat zand tussen mijn tenen en dat geknars in mijn mond. Pas toen ik hoorde dat tante Selma en oom Levie ons voor sjabbes hadden uitgenodigd om met hen mee te gaan, toen was het ineens wat anders. Voor sjabbes naar zee betekent dat we vrijdagmiddag de trein nemen, ’s avonds en ’s ochtends naar sjoel gaan, met heel andere mensen dan thuis. Overdag lekker eten in het pension van mevrouw Gompertz.

(Foto Archief NIW)

Die zoete gevulde vis. En in plaats van perekugel krijgen we sjolent en appeltaart. Zondag nemen we de eerste  trein weer terug naar huis, nog voor dat we naar het strand kunnen. Mama en papa moeten dan vanaf het station meteen door naar het werk. En ik loop dan met Jaap en Brammetje naar huis. Voor deze zondag is het voor mij  sowieso belangrijk om weer op tijd op de gracht te zijn. Luuc heeft me in de middag nodig.

Zandvoort is bij mooi weer nu eenmaal een plekje waar veel Jidden over sjabbes of ook vaak op zondag naar toe gaan. Hier en daar komen we bekenden tegen uit de buurt. Beneden op het strand is het best al druk. Vanaf de Boulevard turen we over de zee. Ver uit de kust varen twee vissersboten met hun netten omhoog getrokken.  ‘Hee! Joden! Joden, Joden!’ We kijken om. Er klinken trommels en trompetten. Brammetje springt op en neer. Mama probeert hem in bedwang te houden. Uit de Van Lennepweg komt een hele stoet kerels in zwarte hemden de Boulevard opgemarcheerd. Zo gauw ze ons zien gaat hun rechterhand recht naar voren. ‘Houzee, houzee! Joden naar huis. Geen Joden aan zee! Joden weg er mee. Houzee, houzee’. Zo gauw de stoet NSB’ers langs is getrokken draaien wij ons ook maar om en lopen naar de hoek van de straat waar we bij oom Levi en tante Selma logeren. De sjabbes is nog lang niet afgelopen. Maar de gein is er voor ons wel af. ‘Herman, zijn we nog ergens veilig?’ ‘Wat moet ik zeggen Rika. Het ziet er mies uit voor ons’. 

Onder de grote overkapping mindert de trein vaart, “Amsterdam Centraal Station”. De stoom en de rook blijven rond de sissende locomotief hangen. Eigenlijk is het jammer dat de reis van Zandvoort terug naar Amsterdam zo kort is. Aan de overkant van het perron staat een hele lange trein. Op de zijkant hangen borden waarop staat dat deze helemaal naar Berlijn gaat. Het lijkt me spannend om zo een lange reis te maken. Helemaal dwars door Duitsland. Misschien is het beter om dat nu maar niet te doen. Als al de sores eenmaal voorbij zijn, wie weet of we dan met de hele familie nog een keer die kant op gaan. Papa laat aan het einde van het perron de kaartjes zien. Op straat krijgen we allemaal een kus van mama. ‘Simon, ga met Jaap en Brammetje rechtstreeks naar huis. Oma wacht op jullie. Ik neem de pont naar mijn werk en papa gaat ook meteen door.’ Papa loopt met de koffer naar de fietsenstalling. Daar heeft hij vrijdag voordat we vertrokken zijn fiets neergezet. ‘Dag jongens, tot vanmiddag’. 

Met ons drieën lopen we over de Geldersekade de buurt in. Eenmaal bij de Waag voel ik me alweer een beetje thuis. Vanmiddag ga ik Luuc vertellen over die NSB’ers in Zandvoort. Hier in Amsterdam hadden we er allang op los geslagen.

21 juni 1939

Nu begrijp ik waarom Luuc me zondag vertelde om vanavond ouwe kleren aan te trekken. En ook mijn schoenen die ik altijd op school draag thuis te laten. Het gat wordt steeds dieper. Met ons vieren staan we nu halverwege ons middel in de kuil. Ik voel het flink in mijn armen en benen, iedere keer wanneer ik weer een schep zand over de rand kieper. Hier wordt het gat steeds dieper, daar wordt de berg zand steeds hoger. ‘Jongens, het is genoeg. Klim er maar uit’. Luuc geeft mij zijn hand en trekt mij met één ruk naar boven. Ik sla het zand van mijn broek en van mijn hemd. Luuc fluit op zijn vingers. Van achter de bosjes bij de laatste rij grafstenen wordt de kar nu naar voren geduwd. Een paar van die sterke kerels, net als de Zeeuw, tillen de zware ijzeren kist er af en zetten deze aan de rand van de door ons gegraven kuil. Nog steeds weet ik niet wat de bedoeling van deze klus is. De zon is nu bijna onder gegaan. Zo laat heb ik hier op Zeeburg nog nooit tussen al die graven gestaan. De laatste keer dat ik hier was is ook alweer een jaar of twee geleden. Ik ben toen met Jopie mee geweest. Hij liet mij zien waar zijn moeder is begraven.

Begraafplaats Zeeburg

Luuc kijkt om zich heen. Andere bezoekers aan de begraafplaats zijn nu wel weg. Niemand kan ons hier zien. Hij tilt het deksel van de kist. Nieuwsgierig kijkt ik wat er in zit. Allemaal langwerpige bruine dozen, netjes naast en op elkaar gestapeld. Van een van de dozen haalt Luuc voorzichtig het deksel af. Ik doe een stap terug. Ik zie drie geweren. Het deksel wordt meteen weer teruggelegd. De Zeeuw legt de vinger op zijn mond. ‘Nooit over praten. Dit is voor later. Wanneer het eenmaal zo ver is’. Ik zie nog een andere doos. Deze ken ik. Ik weet het zeker. Papa bewaarde deze doos altijd in het kastje van het dressoir. Het is de doos met de papieren die papa van oom Sig kreeg in dat hotel Krasnapolsky vlak voor deze naar Amerika vertrok. Allemaal papieren van de schilderijen van oom Sig. Weer fluistert Luuc  ‘mondje dicht. Nooit over praten’. Aan dikke touwen laten de sterke kerels de kist in onze kuil zakken. ‘Kom jongens, gooi maar dicht’. Dicht gooien is een stuk gemakkelijker. Zo gauw het zand als een heuveltje boven de grond uitsteekt trekt de Zeeuw een houten bordje van onder de struiken tevoorschijn. Dat steekt hij in het zand. Er staat een of andere naam op. Nu lijkt ons graafwerk van vanmiddag, helemaal aan de rand van de begraafplaats, op een van al die andere graven hier. ‘Loop nou niet allemaal tegelijk met jullie schoppen de begraafplaats af. Dat valt te veel op. Jullie drieën lopen van de dijkkant naar buiten. En de anderen vanaf de kadekant. Begrepen?’ We knikken.

’s Avonds scharrelt mama nog wat rond in de keuken. Papa is kaarten aan het rondbrengen. Ik kijk in het kastje van het dressoir. De doos met papieren van oom Sig staat er niet meer.

(Wordt vervolgd)

  1. lawaai
Over Lody van de Kamp 40 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*