Rainer Maria Rilke: ‘Maar voor de eerste dode kwam de moord’

beeldmerk Poëzie van de twintigste eeuw
tekst: Kees Kok
Print Friendly, PDF & Email

Joodse poëzie van de twintigste eeuw
Weinig bekende Europees-Joodse dichters uit de vorige eeuw Ingeleid en geannoteerd door vertaler Kees Kok

Waar is Kaïn? Ik wil op hem af.
Heb jij de zoete vogels doodgeslagen in jouw broeders aangezicht?

Zo dichtte Else Lasker-Schüler in ‘Abel’.

Deze aflevering gaat over de broederstrijd tussen Abel en Kaïn. Daar hebben bijna alle dichters die ik eerder besprak wel iets mee gedaan: naast Lasker-Schüler, Rose Ausländer, Hilde Domin, elk op geheel eigen wijze, maar toch verwant. De titel is ontleend aan ‘Ik Lees Het…’, gedicht over het bijbelse scheppingsverhaal van de grote dichter Rainer Maria Rilke (1875-1926), evenzeer Joods als de andere dichters in deze serie.

1. 

IK LEES HET…

Ik lees het in jouw uitgelezen woord,
in het verhaal van de gebaren
waarmee jouw handen vormend bezig waren
rondom het wordende, begrenzend, warm en wijs.
Luid riep jij leven, zachtjes zei je sterven
en steeds opnieuw herhaalde je: er zij. 
Maar vóór de eerste dode kwam de moord.
Toen viel jouw afgeronde levenswerk aan scherven,
een groot geschrei
joeg alle stemmen voort,
die zich pas weer verzamelden
om jou te wagen
om jou te dragen,
afgrondenoverbrugger – 

en wat zij sindsdien stamelden
zijn stukken
van jouw oude Naam.

Rilke legt in dit gedicht een direct verband tussen de moord op Abel, het in stukken uiteenvallen van de schepping én de fragmentisering van de Naam, waarvan sindsdien alleen nog maar stukken gestameld kunnen worden, over afgronden heen die alleen door de Naam overbrugd kunnen worden. In een van zijn gedichten uit de cyclus ‘Vom mönchischen Leben’ voert Rilke de ‘bleke knaap’ Abel op die over zijn broeder Kaïn klaagt: ‘… niemand doet hem wat hij deed aan mij .’
Het is een somber gedicht, want niemand ontkomt aan Kaïn. Hij is de dood in persoon, die wacht loopt, als een onophoudelijk gericht. Hij lijkt op de dood in het oude Perzische verhaal, die de tuinman tot in Ispahan achterhaalt. Want sinds die eerste moord heeft elke dood iets moorddadigs, we gaan allemaal de weg van Abel.   

ZO SPREEKT DE BLEKE KNAAP ABEL:

Ik ben niet. Mijn broer heeft mij iets aangedaan
wat aan mijn ogen is ontgaan.
Hij heeft mijn licht afgesloten.
Hij heeft mijn gezicht verstoten
met zijn gezicht.
Nu is hij alleen,
Ik denk dat hij er nog moet zijn.
Want niemand doet hem wat hij deed aan mij
Zij gingen allemaal mijns weegs,
zij komen allen voor zijn toorn
gaan allemaal aan hem verloren.
Ik denk, mijn grote broer loopt wacht
als een gericht.
De nacht heeft wel aan mij,
maar niet aan hem gedacht.

2.

Van Else Lasker-Schüler is deze majestueuze aanklacht: 

ABEL

Kaïns ogen zijn God niet welgevallig,
Abels gelaat is een gouden gaarde,
Abels ogen zijn nachtegalen.

Abel zingt altijd zo helder
Bij de snaren van zijn ziel,
Maar door Kaïns lichaam 
gaan de graven van de stad.

En hij zal zijn broeder doodslaan –
Abel, Abel, jouw bloed kleurt de hemel zo diep.
Waar is Kaïn, ik wil op hem af:
Heb jij die zoete vogels doodgeslagen
In jouw broeders aangezicht?!!

Wat God ziet in de ogen van Kaïn, de haat en de afgunst, is hem niet welgevallig. Abel, die gouden gaarde met ogen als nachtegalen, bevalt hem wel. De tegenstelling wordt nog scherper: Abel zingt bij de snaren van zijn ziel, maar in Kaïns lichaam staan als diepe groeven de graven, een lichaam als een kerkhof. De moord lijkt onvermijdelijk: hij zal zijn broeder doodslaan. Lasker-Schüler laat Abels bloed, dat volgens het verhaal roept uit de aarde (Genesis 4:10), de hemel dieprood kleuren. Kaïn heeft de nachtegalen in Abels gezicht doodgeslagen! Zij wil op hem afstormen. Maar op wie dan? 

3.

Rose Ausländer schreef deze twee gedichten:

ABEL

Schilderijen aan de muur
Boeken in de boekenkast

Verstolen bloeit 
de kleine kamer
Woorden beelden
schenken mij de januskoppige wereld

KAÏN

zegt het ene gezicht
het andere zegt
ABEL

Dit kleine gedicht heeft een grote boodschap. Het vertelt over deze wereld, samengebald in een kleine kamer. Daarin bloeit de cultuur, in boeken en schilderijen, woorden en beelden. Zij brengen de wereld bij de dichter in huis. En die wereld heeft een Januskop, een goed en een kwaad gezicht, zij is sprekend Kaïn én Abel. Waar hoort de dichter zelf bij? Dat vertelt zij in het vervolg, na twee dubbele witregels:

Ik
ben Kaïn
ik heb
je doodgeslagen
Abel
mijn opgestane broeder

Een leven lang wreek
ik mij
op mij

Maar jij
wat zoek je
hier
bij mijn 
vervloekt geslacht

De dichter bekent schuld. Ik ben Kaïn. Immers, als Abel dood is, is er enkel nog het nageslacht van Kaïn. Alle mensen zijn dus Kaïn, dragen Kaïn in zich. Dat Adam en Eva in het verhaal nog een nieuwe zoon krijgen, die ‘Seth’ – Vervanger – wordt genoemd en die weer een zoon krijgt die ‘Enosj’ – Mensje – wordt genoemd, lijkt hier geen rol te spelen. Kennelijk ziet de dichter niets in een zo’n soepele herstart van de geschiedenis. In plaats daarvan laat zij de vermoorde Abel opstaan. En in haar rol als Kaïn vraagt zij zich vervolgens af wat die opgestane broer in godsnaam te zoeken heeft bij dat vervloekte mensengeslacht met zijn Kaïnsteken, dat zich zijn hele leven, heel de geschiedenis door, wreekt op zichzelf. Zo vervlochten zijn die twee broers met elkaar, zozeer twee kanten van de ene werkelijkheid. En zo blijft die eerste moord onopgelost doorwerken in alle volgende.   

4.

Hilde Domin noemt zich een kind van Abel. Zij schreef een lang gedicht aan haar voorvader, waarin zij hem smeekt om op te staan, alsof hij niet vermoord is, opdat Kaïn alsnog de kans krijgt om te zeggen: Ja, ik ben jouw hoeder, broeder, en de mensheid een nieuwe start kan maken. Het moet opnieuw en anders beginnen. Genesis moet herschreven worden. Dan zijn er geen kerken (of synagogen of moskeeën) meer nodig en geen wetboeken. De kinderen van Abel zullen geen angst meer kennen. Alle vuren op aarde, alle brandende hartstocht, alle levens, moeten de vuren van Abel zijn. Zelfs het vuur aan de staarten van onze raketten moet het vuur van Abel zijn. 

ABEL STA OP

Abel sta op
het moet opnieuw worden gespeeld
dagelijks moet het opnieuw worden gespeeld
dagelijks moet het antwoord nog voor ons liggen
het antwoord moet ja kunnen zijn
als jij niet opstaat Abel
hoe moet het antwoord
dat enig belangrijke antwoord
ooit anders worden

wij kunnen alle kerken sluiten
en alle wetboeken afschaffen
in alle talen der aarde
als jij maar opstaat 
en het terugdraait
dat eerste verkeerde antwoord
op de enige vraag
die er toe doet
sta op
opdat Kaïn zegt
opdat hij zeggen kan
Ik ben jouw hoeder
broeder
hoe zou ik niet jouw hoeder zijn
Sta dagelijks op
opdat wij het voor ons hebben
dat Ja ik ben hier
ik 
jouw broeder
Opdat de kinderen van Abel
niet langer bang zijn
omdat Kaïn geen Kaïn werd
Ik schrijf dit
ik een kind van Abel
en ik ben dagelijks bang
voor het antwoord
de lucht in mijn longen krimpt
terwijl ik wacht op het antwoord

Abel sta op
opdat een ander begin aanvangt
tussen ons allen

De vuren die branden
het vuur dat brandt op aarde
moet het vuur van Abel zijn

En aan de rakettenstaarten
moeten de vuren van Abel zijn

5.

De gevolgen van Kaïns daad zijn wel het kortst samengevat in deze regels uit een van de zes Jiddische liedjes die ik in 1998 uit een CD-boekje (‘The Well’) van de Klezmatics plukte: VER ES HOT van Abraham Reisen (1876-1953):

DE EEN DIE HEEFT

De een die heeft een sjoeltje
Die een studiekluisje
Die bezoekt een kroegje
Die een dameshuisje.

Iets moet je toch hebben
Ergens in geloven
In een duivel onder
Of een god daarboven.

Heb je echter niemand
Wil je enkel haten
Zal je net als Kaïn
Zwerven langs de straten.

En al wie jouw weg kruist
Zal jou dan ontwijken
En jouw hele wereld
Zal één kerkhof lijken.

Wie nergens in gelooft, niets heeft om voor te leven, wie alleen maar haten kan, zal net als Kaïn een zwervend bestaan leiden. En zijn hele wereld zal één groot kerkhof lijken, zal er uitzien als een dodenakker. En daarmee zijn we terug bij die sterke regels van Else Lasker-Schüler: ‘…. door Kaïns lichaam / gaan de graven van de stad’.

Over Kees Kok 8 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*