Deel 16: ‘Als je zo binnenkomt bij meneer Asscher, doe dan wel je pet van je hoofd’.

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Mokum aan de gracht
tekst: Lody van de Kamp
Print Friendly, PDF & Email

Woensdag 21 september 1938

‘Kom nou hier naar toe, Simon’. Mama smeert zeep op het borsteltje en wrijft heen en weer over de bovenkant van mijn nagels. ’Hier’. Ze pakt de handdoek van het rekje. ‘Droog  je handen goed af’. Ik steek mijn vingers naar voren. ‘Zijn ze zo schoon genoeg?’ ‘Ja, het kan er mee door. Voordat je zo direct met papa mee gaat, geef nog even met de doek je schoenen een beurt. Gisteravond heb ik ze zal gepoetst. Maar een beetje glimmen kan geen kwaad. Neem wel de doek voor de bruine schoenen en niet die van papa voor zijn zwarte schoenen’.

Op de Weesperzijde is het druk. Overal staan groepjes mensen te praten. Sommigen schreeuwen en zwaaien met hun armen. ‘Staak, macht voor de arbeider!!’ ‘Daar, in De IJsbreker vergaderde vanmiddag de vakbond. Het lijkt er op dat de mensen hier nog over napraten. Wijnkoop, de communist, zou  een toespraak gaan houden voor de werkloze sigarenmakers en diamantwerkers.

David Wijnkoop Foto: Nationaal Archief NL

Er is die sloebers zoveel door de politiek beloofd maar al deze jaren dat ze geen werk meer vinden, hebben ze de dalles1 gekregen. Nu denken ze dat die partij van Wijnkoop hen gaat helpen.’  We steken de brug over. ‘Niet iedereen heeft zo een mazzeltje zoals ik. Bij de diamant ben ik de laan uitgestuurd om daarna meteen een nieuw baantje te vinden in het behang van Hartog Polak’. Papa is in een goede bui. Hij fluit. ‘En dan ook nog een bijbaantje voor de kille om doodsberichten rond te brengen’.

De auto van meneer Asscher staat bij de fabriek op dezelfde plek geparkeerd als de eerste keer toen ik hem opzocht. Voor de poort blijf ik staan. Papa draait zich om. ‘Wat is er?’ ‘Weet je papa, het is al bijna twee jaar geleden dat ik hier voor de eerste keer kwam.’ ‘Ja, dat zal wel zo ongeveer’. Ik grinnik. ‘Toen had ik de gotspe om zomaar op meneer Asscher af te stappen’. Papa legt zijn hand op mijn schouder. ‘Een gotspe was het. Maar zonder die gotspe was je niet gekomen waar je nu bent. Dan was je nu bijna klaar geweest op de ambachtsschool maar had meneer Asscher nooit geregeld dat je op de HBS kwam.’ ‘Goedemiddag heren, kan ik u helpen?’ De mevrouw achter het loketje kijkt ons vragend aan. ‘Mijn naam is Van Gelder. Wij hebben een afspraak met de heer Asscher’. ‘Met welke meneer Asscher heeft u die afspraak. Met meneer Abraham of meneer Jacob?’ ‘Wij komen voor meneer Abraham Asscher’. ‘En uw naam is Van Gelder? Neemt u plaats in de gang, een ogenblikje alstublieft’. De mevrouw trekt haar hoofd terug en sluit het loket. ‘Als je zo binnenkomt bij meneer Asscher, doe dan wel je pet van je hoofd’. ‘En jij jouw hoed.’ ‘Goedemiddag heren, wilt u mij alstublieft volgen?’ Wij lopen achter een sjieke meneer aan. Zijn zwarte jas heeft aan de achterkant twee flappen. Het tapijt op de brede houten trap voelt zacht aan. Bij iedere stap kraken de treden zachtjes. ‘Meneer Asscher verwacht u. Kan ik uw jas aannemen?’ ‘Nou nee meneer, we blijven maar even’. ‘Zoals u wenst heren. Ik ga u voor’.  ‘Meneer Asscher, uw bezoek is er’. Papa neemt zijn hoed af en geeft meneer Asscher een hand. Ik pak  mijn pet van mijn hoofd en schudt ook de uitgestoken hand. ‘Welkom Van Gelder.

Diamantslijpers Foto: JCK

En jongeman, ook jij welkom. Hoe gaat het Van Gelder? Red je het een beetje bij Hartog Polak? Is er nog wat te verdienen in de tapijten en het behang?’ De meneer met de jas met flappen komt opnieuw binnen met een dienblad met twee koppen koffie, een voor meneer Asscher en een voor papa. ‘En wat wil de jonge heer drinken? Misschien ook een kopje koffie?’ Nee meneer’ floept het er uit, ‘van koffie op mijn leeftijd krijg ik groene haren’. Papa kijkt me bestraffend aan. Meneer Asscher schatert. ‘Die wijsheden heb je vast van jouw moeder geleerd’. Ik knik heftig. Meneer Asscher drukt op een bel op zijn bureau. De man met de flappen komt weer binnen. ‘Breng maar een glaasje ranja voor deze jongeman, dat lust hij vast wel.’ Ik beaam dat. ‘Nou Van Gelder jullie zijn hier gekomen om mij wat te laten zien. Kom er maar mee tevoorschijn.’ Papa wijst naar mijn jas. Uit de binnenzak haal ik mijn schoolrapport tevoorschijn en geef het aan meneer Asscher. ‘Eerste Hogere Burger School, Amsterdam. Rapport schooljaar 1937-1938’ leest meneer Asscher hardop voor. ‘Kom Van Gelder, neem eerst maar een goeie sigaar’. Papa wordt een zilveren sigarendoos voorgehouden. De rookwolken stijgen naar boven. Het lijkt al heel lang geleden dat ik papa met een sigaar heb gezien. Nog nooit met zo een dikke zoals papa deze nu tussen zijn vingers probeert te houden. ‘Kijk eens aan. Een acht voor meetkunde, een zeven voor kennis der natuur. En ook al zevens en achten voor de talen. Mechanica een zesje. Maar lichamelijke opvoeding ook weer een zeven.’ De flappenman zet de ranja voor me neer. Meneer Asscher draait het rapport een kwartslag en leest verder. ‘Simon van Gelder wordt bevorderd naar klas Twee’.  Hij kijkt mij goedkeurend aan. ‘Zo, zo. Dit is dus jouw overgangsrapport van het eerste  schooljaar. Dat was dus een goede keuze om jou niet naar de Ambachtsschool te sturen maar je naar de HBS te laten gaan. Ik neem aan dat het nog steeds zo goed gaat? Wat vind je het mooiste vak? Meetkunde, Algebra?’ ‘Nee, meneer, eigenlijk geschiedenis. De meester vertelt heel mooi. Alleen…..’. Meneer Asscher wacht of ik mijn zin afmaak. ‘Wat bedoel je met “Alleen”?’ ‘De geschiedenismeester komt voorlopig niet op school. En de meester  voor staatsinrichting ook niet.’ Meneer Asscher en papa kijken me verwonderd aan. ‘Ze zijn opgeroepen voor het leger. Hoe heet dat? Mobillesatie of zoiets?’ Meneer Asscher draait zijn stoel naar papa toe. ‘Ja, Van Gelder, het zijn ingewikkelde tijden. En dan bedoel ik niet alleen zakelijk. Gaat het echt zo een vaart lopen met die oorlog, dat ze al die soldaten moeten oproepen voor het leger? Daar geloof ik nog niet zo in. Net als bij de Grote Oorlog van 1914 zal ons land nu ook wel weer de dans ontspringen. Nederland is neutraal.  Misschien kunnen we die oorlog voorkomen door nu alvast wat soldaten op te roepen. Maar zo een hele mobilisatie? Hier in de slijperij zijn er ook een paar die moesten gaan. Maar de zaak moet wel hun salaris doorbetalen.’ Papa kijkt in de richting van een glazen kast waar allemaal gereedschappen voor het slijpen en het klieven van diamant liggen. Het lijkt wel of papa even wegkijkt om meneer Asscher niet tegen te hoeven spreken. Ik weet zelf hoe bezorgd papa is dat er over niet zo een lange tijd hier ook oorlog komt, net als in Oostenrijk. ‘Al die arbeiders maken het voor zichzelf ook wel lastig. Die werklozen roepen om werk en zij die nog niet op straat staan die willen alleen maar korter werken en meer mezomme2 opstrijken. Laat ze tevreden zijn met wat ze hebben in plaats zich mesjogge te laten maken door die communisten en de socialisten. En dan zijn er ook nog al die vluchtelingen. Dat is echt ernstig. Die Duitse Jidden die geen andere keuze hebben dan hier naar toe te komen. Wat die oosterburen ons aandoen is niet te beschrijven. Eerst werden de Joodse ambtenaren ontslagen, daarna die rassenwetten, nu met die J in de paspoorten.’ Asscher zucht diep. ‘Ons Comité Bijzondere Joodsche Belangen probeert te helpen. Maar de middelen zijn ook maar beperkt. En er komen er steeds meer de grens over. Gelukkig zijn het tot nu toe wel de wat beter gesitueerden. Die redden zichzelf wel. Daar hoeft ons comité niet voor op te draven. ’ Meneer Asscher staat op. ‘Van Gelder, je mag trots zijn op jouw zoon. En jij, jongeman, ga zo door. Als je over een paar jaar je eindexamen hebt gedaan, zie ik je graag weer. Gaan we kijken wat we dan misschien voor jou kunnen doen. Ik bedank  je dat je vandaag met vader en jouw rapport langs bent gekomen.’ Papa zet zijn hoed op, ik mijn pet. ‘Jongeman, voordat je weggaat wil  ik je iets meegeven. ’ Meneer Asscher pakt een dik boek van zijn bureau. “Diamonds from Africa”.  ‘Hoe was het ook alweer, jouw naam. Simon, toch? Dit boek  is voor jou. Hier staat alles in over de diamanten die vanuit Afrika hier naar toe komen. Met jouw hoofd voor geschiedenis vind je dit vast wel mooi’. Meneer Asscher gaat achter zijn bureau zitten, opent het boek op het titelblad, doopt zijn pen in de inktpot en schrijft met grote zwierige letters “A. Asscher”.  Ik lees het nog een keer “A. Asscher”. 

Maandag 24 oktober 1938

‘Kun jij je dat nu voorstellen, Simon, dat Joden nog lid waren van die club?  In plaats dat ze zoveel seigel hadden om zelf hard weg te lopen, hebben ze gewacht totdat Mussert ze uit de NSB knikkerde.’ Jopie ziet er hier in het slachthuis anders uit dan in de buurt. Hij loopt  op klompen in een blauwe overall, met een leren voorschot om. Hij was altijd al een kop groter dan ik, maar nu lijkt hij nog veel groter. Hij is de laatste tijd gegroeid. Met zijn mes snijdt hij twee gleuven in beide kanten van een enorme koeienpens die net op een van de kruiwagens is binnengebracht. Zijn handen verdwijnen door de sneeën half naar binnen en zo tilt hij het gevaarte op en smakt het op de houten werkbank voor hem neer. Ik spring achteruit om niet van die vieze spetters op mijn jasje te krijgen. Om zijn mes bij te slijpen maakt Jopie een op en neer gaande beweging op het staal dat met een touw aan zijn riem zit. ‘Kijk daar gaat zo een chazzerfresser3, Smerige NSB’er.’ Jopie wijst met het staal naar buiten. ‘Elke Jid die hij hier in het slachthuis tegenkomt probeert hij het leven zuur te maken. Vanochtend riep hij nog naar die ouwe Pronk, die kalverboer op de veemarkt, “Wacht maar tot het zover is dat de Führer met zijn mannen hier de grens overtrekt. Dan zet jullie volk geen stap meer hier op de markt. Dan is het afgelopen met jullie!’ Jopie kiepert de inhoud van de koeienmaag in de bak naast zijn werkbank. Hij richt de waterslang op de troep voor zich en spuit de boel schoon. Ik blijf op een veilige afstand staan. ‘Jopie, denk jij echt dat die Duitsers deze kant op komen?’ ‘Denk ik dat? Ik weet het wel zeker. Die vuile landverraders zoals die smeerlap die ik je net aanwees zijn al lang bezig om de boel daar voor klaar te maken.’ Jopie kijkt mij met een minachtende blik aan. ‘Alles wordt voor Hitler hier al geregeld en wij vragen onszelf nog af of ze werkelijk komen?’ Hij toont meteen spijt van de toon waarop hij met mij praat. ‘Simon, natuurlijk zijn er veel mensen die het niet weten. Maar geloof mij, ik hoor en zie hier heel veel. NSB’ers, communisten, arbeiders, allemaal roepen ze wat. Maar wij zullen met dit chajes4 afrekenen.

Ik bewonder mijn vriend. Hij steekt dan wel met kop en schouders boven mij uit. En zijn opgerolde mouwen laten stevige spierballen zien. Toch is hij nog maar een half jaar ouder dan ik, we moeten alle twee nog veertien worden. Eigenlijk zijn we nog maar kinderen. Toch laat hij al zo een dreigende grote-mensentaal horen. Eigenlijk hoop ik dat die Duitsers nog een paar jaar wachten voor dat ze hier de grens overtrekken. Dan zijn Jopie en ik in ieder geval groot genoeg om mee te knokken in de strijd  om onze vrijheid terug te krijgen. Jopie is alweer bezig met de volgende pens. Ik sta in de deur en kijk  over het grote plein voor de slachthallen. Vier, vijf koeien staan met het touw om hun hals vastgebonden naast de deur.

‘Dag professor, zorg maar dat je mooie pakkie niet vies wordt.’ Ik kijk om me heen. Tegen wie heeft die man het? De man lacht. ‘Ken je me niet? Jij bent toch de zoon van Van Gelder van het behang?’ Ik knik verlegen. ‘Jouw vader was een dag of wat geleden bij ons boven om de kamer op te meten. En jou zie ik wel eens met je vader op de markt lopen.’ De man, ook al op klompen, met een bruin hoedje op, wijst met een rieten wandelstokje  in de richting van de koeien. ‘Hier, dat is mijn handeltje voor vandaag. Daar moeten moeder de vrouw en de kinders van eten’.  Ik kan me niet herinneren of ik de man ooit ben tegengekomen. ‘Jongeman, jij hebt een mooi pakkie aan. Eigenlijk veel te sjiek voor hier tussen al die beheimes5. Je gaat vast naar de school voor de hoige venster6. Ik vraag me af waar jouw vader dat van doet. Maar goed, dat zijn mijn zaken niet. Doe maar goed je best, dan wordt je misschien wel dokter of notaris. En als dat niet lukt, ken je nog altijd hier aan de slag. Maar dan mot je wel elke ochtend om vier uur op. En de hele dag hard sappelen.’ De man schraapt zijn keel. Een dikke klodder spuug landt vlak voor mijn voeten op de straatstenen. ‘Dus je hoort het. Goed je best doen, mazzel en broche.’ Jopie staat nu naast me, met zijn handen in zijn zij. ‘Dit is Nochem. Met zijn zoon heeft ie een slagerij in de Blasiusstraat.’ ‘O, is dat hem!  Vlak bij mijn oom en tante’.’ Ja, dat is ‘m.  ‘He, he, het hele zooitje bij elkaar. Het is hier geen Jodenkerk. Rot toch op naar je eigen wijk!’ Uitdagend staart de NSB’er ons nu aan. ‘Klerejoden’! Nochem haalt zijn schouders op. ‘Dit spul houdt het gehinnom7 lekker brandend. Hij, met zijn hele misjpoge. Tot in het vierde geslacht’.

(Wordt vervolg)

  1. Niets
  2. Geld
  3. Eter van varkensvlees, scheldwoord
  4. Tuig
  5. Beesten
  6. Deftige lui
  7. De hel
Deel dit artikel.
Over Lody van de Kamp 19 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*