Else Lasker-Schüler, een onophoudelijke drang naar vrijheid en avontuur

Print Friendly, PDF & Email

JOODSE POËZIE VAN DE TWINTIGSTE EEUW

weinig bekende Europees-Joodse dichters uit de vorige eeuw ingeleid en geannoteerd door vertaler Kees Kok

‘De bestanddelen van haar wezen – grote vroomheid en deemoed, verlangen naar liefde en geborgenheid, doodsverlangen en angst, levenslust en vertwijfeling, hulpvaardigheid en trots, een impulsief temperament, een onuitputtelijke humor, een onophoudelijke drang naar vrijheid en avontuur, kinderlijkheid en naïef vertrouwen, een eeuwig ongenoegen met de gegevenheden van de realiteit – riepen een werveling op van ervaringen en reacties, die alle vaste maatstaven ondermijnde.’ Aldus biografe Margarete Kupper in haar schets (Lebenslauf) over de dichter Else Lasker-Schüler.

Dichteres Else Lasker-Schüler werd op 1 februari 1869 in het Duitse Elberfeld (Wuppertal) geboren als Elisabeth Schüler, dochter van koopman Aron Schüler en Jeannette Kissing, met Sefardische voorouders. In 1893 trouwde ze met de arts Jonathan Lasker. In 1899 kreeg zij haar enige kind Paul, een veelbelovend kunstenaar, in 1927 overleden aan de gevolgen van tuberculose. 

In 1901 scheidde ze van Lasker en ging een nieuwe relatie aan met Georg Levin, componist en uitgever van kunsttijdschriften. Woonachtig in Berlijn raakte ze bevriend met talloze grootheden uit de culturele, literaire en kunstwereld. In haar fantasiewereld ‘Thebe’ verleende zij allen een adellijke titel en was Karl Kraus haar ‘kardinaal’. In 1912 stierf haar geliefde zus Anna en scheidde ze van Levin, waarna zij geen vaste woon- en verblijfplaats meer had, maar in pensions en hotels woonde en constant in geldnood verkeerde. 

Haar vrienden, onder wie Gottfried Benn en Karl Kraus, collecteerden regelmatig voor haar, maar ze gaf het meeste daarvan aan bevriende kunstenaars die verkeerden in even armoedige omstandigheden. Gebrek en rusteloosheid deden steeds het verlangen ontwaken naar haar kindertijd, hoewel ze toen kennismaakte met antisemitisme. Zij en andere Joodse kinderen werden door hun lutherse en katholieke leeftijdgenoten regelmatig achtervolgd met de kreet ‘Hep, Hep’, de roep waarmee Duitse schaapherders hun kudden opjaagden, maar die ook is uitgelegd als een acroniem van de Latijnse leus van de kruisvaarders  ‘Jeruzalem is verloren’ (Hierosolyma est perdita). 

In de jaren twintig werd zij als Joodse dichteres gehoond en geslagen. In 1933 werd zij in Berlijn door nazi’s bewerkt met een ijzeren staaf. Zij vluchtte halsoverkop zonder bagage met de trein naar Zwitserland. In Zürich zwierf ze zes dagen en nachten lang tot zij door de zedenpolitie wegens landloperij gevangen werd gezet. Toen uit verhoren bleek wie ze was – de bekende dichteres in bloemlezingen naast Goethe – kon ze in Zürich haar kunstenaarsleven voortzetten, even onrustig en armoedig als in Berlijn.

In 1934 reisde Else Lasker-Schüler met een bevriend echtpaar naar Jeruzalem. Ze begroette Palestina met de verwachtingen van haar bijbelse begeestering als het Heilige Land, maar vond een uiterst profaan aandoend, politiek verscheurd land in een slechte sociale toestand, aldus haar biografe Kupper. Ze keerde terug in 1937 en in 1939 werd Jeruzalem haar laatste station. Ze leerde er weer ‘iedereen’ kennen, onder anderen Martin Buber en de schrijver en religiewetenschapper Schalom Ben-Chorin. In Jeruzalem las zij voor uit eigen werk op drukbezochte bijeenkomsten. ook in Tel Aviv en Haifa, in fantastisch exotische kledij. 

Op 22 januari 1945 overleed zij na een zware doodsstrijd aan angina pectoris en werd begraven op de Olijfberg. 

‘Twintig jaar geleden sloot de dichteres Else Lasker-Schüler haar brandend zwarte ogen in de eeuwige stad Jeruzalem voor de eeuwige slaap. Op de Olijfberg boven Jeruzalem wacht zij tot aan de voet van deze berg in het dal van Josafat de bazuin van de opstanding klinkt.’ Zo schreef Shalom Ben Chorin in 1965.

Else Lasker-Schüle

De rots waar Else lasker-Schüler aan ontspringt is het Joodse volk. Dat is haar levenssfeer, daarover en over de God van dat volk gaan haar liedjes. Maar de rots is broos geworden en kan het volk niet meer vasthouden, het stroomt weg, nadat het eeuwenlang in getto’s was opgesloten. Het gutst eruit,  zoals het water uit de rots in de woestijn nadat Mozes daar met zijn staf op had geslagen. Plotseling breekt de rots open en het water stort ‘van de weg’, weg van de gebaande traditionele paden. Nu is de dichter op zichzelf aangewezen, in zichzelf gekeerd, en stroomt ‘ver heen alleen over klaaggesteente/naar zee’. Haar eenzaam kabbelende stroompje stroomt over een soort horizontale klaagmuur naar de zee der volkeren. Is dat niet een passende metafoor van de beweging van talloze Joden die net als zij vroeger en nu zijn ‘geseculariseerd’, die hun traditionele Jodendom als isolement ervaren, eruit breken en niet zonder problemen – tegen de klippen op – hun eigen bedding zoeken? Maar hoe ver ook weggestroomd ‘van de troebele gisting van mijn bloed’, de bloedband blijft als zielsverwantschap en doet de dichter nog altijd huiveren als oostwaarts – in de gebedsrichting – ‘mijn volk’, dat ‘broze rotsgebeente’, ‘schreeuwt naar God’. 

Grote Verzoendag is het hart van de Joodse religie. De grote ‘ster van de verlossing’ (zo heet het beroemde boek van Franz Rosenzweig) ‘zal vallen in mijn schoot’. Het is een grote genade, ‘wakend en biddend’ door de nacht heen in de schoot geworpen. Verzoening met God? Ja, maar altijd door en nooit zonder verzoening met elkaar. Juist in de verzoening van mensen met elkaar ‘stroomt God over’. Zoals zijn Naam overstroomt van goedheid, vriendschap, genade en trouw (kortweg: chesed we èmèt, Exodus 34:6). Misschien moet je dan ook eerder spreken van ‘humanisering’ dan van secularisering van de religie. Verzoening is mens aan mens, hart aan hart, mond op mond. Verzoening is sterk als, misschien zelfs sterker dan de dood: ‘in elkaars armen sterven wij niet’. 

Dit gedicht schreef  Else Lasker-Schüler in 1943 in Jeruzalem twee jaar voor ze stierf. Ze leed aan angina pectoris en moet haar dood hebben voorvoeld. ‘Ik weet…’. Het is zomer. Maar ‘terwijl ik sterven moet en mijn licht uitgaat, zijn alle bomen in juli begroet met een langverbeide kus en lichten zij juist op’. Ik weet niet wat er na juli met de bomen in Jeruzalem gebeurt, dat zij oplichten (misschien weet een lezer het?), maar neem voetstoots aan dat de dichter het zo ervaart. Terwijl de bomen oplichten, verbleken haar dromen. En dat leidt tot haar droevigste dichtregels ooit. Jij breekt een bloem voor mij af. Wie jij? Een vriend, een vriendin? Waarvan? Van een van de bomen? Heeft die ‘julikus’ de bomen in bloei gezet, in lichterlaaie? Al toen de bloem nog in de knop zat hield de dichter al van haar honing. Maar die zal ze nooit proeven, want… ‘Ik weet…’. Haar adem zweeft al over Gods vloed, zoals in den beginne Gods adem over de oervloed. Stil en kalm, met overgave zet ze haar voet ‘op het pad naar de eeuwige woning’. 

Over Kees Kok 12 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*