Deel 8: Die zwarte glanzende auto

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Print Friendly, PDF & Email

‘Mijn vader heeft me aangemeld voor de Ambachtsschool. Daar ga ik een vak leren’.

1 november 1936

Ja, wat een geluk! Ik heb mazzel. De zwarte glanzende auto met zijn twee grote zilveren koplampen aan de voorkant staat voor de diamantfabriek, vlak naast de ingang. Dat betekent dat meneer Asscher op kantoor is. Vandaag is het tijd voor de volgende boodschap. Ik voel me net een detective. Eerst is het me gelukt om de opperrabbijn te spreken te krijgen. En nu ziet het er naar uit dat ik straks meneer Asscher ga zien. De meester vertelde pas nog over zo een detective. Het was een spannend verhaal met een mooie naam. Hoe heette hij ook alweer? Sjerlok Hommeles of zoiets.

Door de spijlen van het hek zie ik dat de chauffeur van meneer Asscher achter het stuur zit te wachten. Hij heeft zijn glimmende pet op. Zo zie ik hem wel eens door de buurt rijden. Ik slenter naar de overkant en ga op het stoepje zitten van het portiek recht tegenover de fabriek. Vanaf hier moet ik meneer Asscher kunnen zien wanneer hij naar buiten komt, op weg naar zijn auto. Ik doe mijn best om de wagen geen moment uit het oog te verliezen. Dat valt niet mee. Na de hele ochtend op de Joodse school ben ik best een beetje suf. Ik moet oppassen niet in slaap te vallen. Kauwend op mijn laatste stukje zoethout probeer ik mijn ogen open te houden. Misschien is het beter om te gaan staan.

Koninklijke Asscher Diamant Maatschappij (Fotoarchief JCK)

Mijn moeite wordt beloond. Ik sta nog maar goed en wel en daar komt meneer Asscher naar buiten.  Zijn jas hangt open en ik herken hem meteen aan zijn mooie pak met het strikje van de koningin en natuurlijk aan die mooie golven in zijn grijze haar met de rechte streep in het midden. Ik ren naar de overkant door het hek het voorplein op en sta nu recht voor hem.  Meneer Asscher kijkt me verbaasd aan. ‘En? Wat is de bedoeling van dit? Wat moet jij hier binnen het hek van mijn fabriek?’  Achteromkijkend zie ik dat de chauffeur is uitgestapt en de deur van de auto openhoudt zodat zijn baas kan instappen. ‘Ik ben Simon van Gelder. Mijn vader heet Herman van Gelder. Hij werkte bij u. Maar toen had u niks meer voor hem te doen en mocht hij niet langer komen. Nu werkt hij heel hard in het behang. Mijn moeder naait de hele dag regenjassen bij Kattenburg en mijn vader mag ook al niet meer in de Grote Sjoel komen. Kunt u niet zorgen dat hij terug komt naar de fabriek? U bent hier toch de baas?’ Mijn hele verhaal ratel ik in een paar zinnen af. Meneer Asscher kijkt mij doordringend aan. Met zijn stevige lippen op elkaar. Hij legt zijn hand op mijn schouder. ‘Simon, je bent een jofele jongen. Omdat je het zo opneemt voor jouw vader en jouw moeder zou ik je graag willen helpen. Maar’, hij draait zich om en wijst naar de grote fabriek achter zich, ‘zie je al die ramen’? ‘Ja, meneer’. Achter al die ramen zaten ooit allemaal mensen te werken. Nu zijn er veel ramen waar niemand achter zit. Er is veel minder werk, dus kunnen we ook minder mensen gebruiken’. Meneer Asscher buigt zich naar voren. Hij is wel erg lang. ‘Hoe was het ook alweer? Simon toch’. ‘Ja, ja. Simon.’ ‘Jouw vader Herman heeft weer werk, al is het in het behang. Jouw moeder heeft werk, al is het achter de naaimachine. Heel veel mensen hebben helemaal niets meer te doen en verdienen ook geen geld om hun gezin te onderhouden. Wees jij maar tevreden met de situatie zoals het nu is. Wie weet, krijgen we ooit weer betere tijden en kan jouw vader terug komen.’ Ik weet niet of ik nu teleurgesteld ben of boos. Ik draai me om en zet het op een rennen.  Meneer Asscher roept me terug. ‘Simon, hoe oud ben je?’ Ik verman me zelf en ga weer recht voor hem staan, met mijn armen recht langs mijn lichaam. ‘Ik ben elf, meneer Asscher.  Volgend jaar juli word ik twaalf’. ‘Weet je al wat je gaat doen, na de lagere school?’ ‘Mijn vader heeft me aangemeld voor de Ambachtsschool. Daar ga ik een vak leren’. De man knikt goedkeurend. ‘Doe maar flink je best. Zorg dat je goede cijfers haalt. Een capabel vakman kan altijd een goede boterham verdienen’.

Ik weet niet wat “capabel”betekent maar het zal wel zoiets zijn als goed. Zonder verder nog een woord te zeggen draait meneer Asscher zich om en loopt naar zijn auto. De chauffeur neemt de mantel en de paraplu aan van zijn directeur en sluit de deur van de wagen. Ik blijf staan tot de auto door het hek rijdt en de Tolstraat in draait. Veel heb ik niet bereikt maar van één ding ben ik overtuigd. Na het regelen van de ontmoeting én met de opperrabbijn én met meneer Asscher ben ik een “capabele” Sjerlok Hommeles. Mijn maag rammelt.

Het begint al te schemeren. Eigenlijk zou ik nu naar huis moeten. Het is etenstijd. Toch loop ik maar door, verder de Weesperstraat uit. Als papa of mama vragen wat ik de hele middag heb gedaan, ga ik echt niet vertellen dat ik meneer Asscher heb opgewacht. Net zomin als ik vorige week iets heb gezegd over mijn gesprek met de opperrabbijn. Ik moet maar weer een smoes verzinnen. Eigenlijk is het niet leuk om te sjkoremen[1]. Maar voorlopig kan dat niet anders. Ik zit nog vol met nieuwe plannen om op de een of andere manier papa en mama te helpen. Ik weet dat mama ook vanavond niet door zal vragen over waar ik vandaag heb uitgehangen.  Daar is mama na een lange dag naaien veel te moe voor. Ze is allang blij als ze gewoon na het eten rustig op haar stoel bij het raam kan zitten. Daar zit ze bijna elke avond na het eten. Van die naaimachine heeft ze vaak pijn in haar handen en aan haar voeten. En ook heeft ze veel last van haar rug. Haar stoel is geloof ik goed voor haar. En papa vertrekt waarschijnlijk ook vanavond meteen na het eten om zijn rollen behang af te leveren of om rouwkaarten rond te brengen.

Met een bij de bakker gebedelde gevulde koek achter mijn kiezen en nog één in mijn broekzak sta ik met een schok stil op de hoek van de gracht. Pal voor ons portiek staat een grote zwarte glanzende auto met twee grote koplampen. En de chauffeur zit achter het stuur. Ik ben meteen doodsbang. Meneer Asscher is speciaal gekomen om papa te vertellen hoe brutaal ik ben geweest. Ik heb geen tijd om na te denken. ‘Simon, Simon, kom meteen boven’. Papa hangt met zijn goeie jasje aan boven uit het raam. ‘Kom nu meteen naar boven. Waar zit je al die tijd?’ Zwetend van angst loop ik stapje voor stapje naar boven. Wat zou meneer Asscher thuis hebben verteld? Papa staat bij de deur. ‘Kom nu naar binnen, was je handen en je gezicht en geef het bezoek netjes een hand. Hoor je?’ Zou papa weten dat ik onderhand al lang in de gaten heb wie daar binnen zit? Eigenlijk is het best deftig om meneer Asscher op bezoek te hebben. En dat komt nog wel door mij. Krijgt papa toch zijn baan terug? Meneer Asscher zit in papa’s stoel. mama zit aan het einde van de tafel. ‘Zo jongeman. En dat twee keer op een dag’ Meneer Asscher houdt mijn hand stevig vast. ‘Jij gaat dus volgend jaar naar de Ambachtsschool?’ ‘Ja, meneer, mijn vader heeft me daar voor aangemeld’. Meneer Asscher laat mijn hand los en staat op. ‘Herman, mevrouw. Uw zoon Simon gaat niet naar de ambachtsschool. Ik heb een uurtje geleden geregeld dat Simon na de lagere school naar de HBS gaat, de Hogere Burger School. Hij moet natuurlijk wel zijn best doen zodat hij goede cijfers haalt.

De HBS

Meneer Asscher staat op knoopt zijn jas dicht. ‘Simon je bent een brave jongen. En ik heb vanmiddag gezien dat je een verstandige jongen bent. Zet dat voort. En wie weet, na de HBS kun je verder studeren en word je misschien wel advocaat of dokter.’ Zonder verder na te denken grijp ik meneer Asschers hand. Helemaal overdonderd mompel ik iets van ‘dank u wel meneer’. Hij knijpt me in mijn wang, knikt naar papa en mama en is op weg naar de voordeur. Met zware stappen loopt hij naar beneden. De deur van de auto slaat dicht en deze rijdt de gracht af. Sjerlok Hommeles heeft toch wat bereikt vandaag.

(Wordt vervolgd)


[1] Jokken.

Deel dit artikel.
Over Lody van de Kamp 21 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*