Kaddisj voor een eenzame ziel

Print Friendly, PDF & Email

Suze Sarina Bloemgarten 18 mei 1921- 4 april 2001

Een onbekende mannenstem aan de andere kant van de lijn. ‘s Ochtends om 9 uur. Met een sonore stem zegt hij ‘ik ben dokter die en die’, zijn naam versta ik niet goed, ‘gisteravond om 19 uur 23 constateerde ik de dood van mevrouw S. Kruyer Bloemgarten. Gecondoleerd’. Terwijl ik naar adem hap, hangt hij op. 

Zes weken eerder kreeg ik signalen dat het niet goed gaat met moeder. Signalen die zij afgeeft zolang ik me herinner. Wat is echt. Meestal alles. Wat is medisch waar. Geen idee. Zij belde me om te zeggen dat het einde nabij is. Ik ben al jaren bang dat zij me zal ontglippen. Maar durf haar niet op te zoeken, noch te bellen, want ben ook al jaren bang voor m’n eigen moeder. Ik pieker me suf wat te doen. Na dagenlang woelen, bel ik Joods Maatschappelijk Werk en vraag of zij willen gaan kijken. Het is nog een heel gedoe voordat JMW in beweging komt. Maar ze gaan en melden me: ‘moeder is een beetje in de war maar doet nog zelf haar boodschappen’. Ik ben gerustgesteld en start met de organisatie van wat de Grote Verzoendag moet worden, haar tachtigste verjaardag. Op 18 mei dat jaar. Ik bel haar jongere zuster in Londen en zeg dat zij onmisbaar is die dag in Amsterdam. Ik mail mijn zus en zwager in Kaapstad en vraag hen in mei naar Amsterdam te komen. Ik pijnig m’n hersens af of ik een vriendin van mijn moeder kan herinneren om uit te nodigen. 

Nu moet ik deze donderdag de vijfde april tante en zus iets anders berichten. Ze moeten aanstonds naar Amsterdam komen. 

Inmiddels heb ik de begrafenisondernemer gebeld. Gewoon een willekeurige, want ik heb geen idee wat mijn moeder heeft geregeld, wilde het niet horen als zij daarover begon. En dat deed zij vaak. Zo vaak dat ik alleen maar het stille verwijt hoor dat ik er niet voor haar ben. Een oorverdovend verwijt dat door merg en been gaat. Een verwijt dat klopt. Want ik ben er niet voor haar, terwijl zij er wel degelijk was voor haar kinderen. We kregen op tijd te eten, we kregen kleding, ze waste ons toen we klein waren en knipte onze nageltjes. We gingen naar school, naar sport en kregen muziekles. Alles klopte. Alleen hechten aan – dat kon ze niet. Een woord van troost heb ik nooit gehoord. Trots was ze wel als ik iets goed kon, dan was ik het kind ‘dat alles goed zou maken’. Maar een arm om me heen heb ik nooit gevoeld. Een kus was onvoorstelbaar. Ik weet niet hoe ze voelt, ken alleen haar stem. Als zij niet voorovergebogen over de krant zat, praatte zij. Bijna altijd over haarzelf, over wat haar was aangedaan, over haar moeizame leven. “Zeur niet”, zeiden we en gingen onze eigen gang.

Alles mocht van moeder. Zorgen had ze niet over de kinderen. Want met hen ging het altijd goed. Klopt. In vergelijking met haar eigen leven was elk kinderverdriet peanuts. Of het was gewoon niet waar, zoals ze stellig zei toen ik last begon te krijgen van depressieve gevoelens. 

Ik bel de eerste de beste begrafenisondernemer. Gelukkig zijn die uitvaartlui goed georganiseerd, de juiste partij is snel gevonden. Ze komen dezelfde dag nog langs. Ik heb geen partner noch kinderen. Noch nabije familie waar ik naartoe kan. Dat maakt zo’n bommeldingachtige mededeling van een onbekende huisarts tot een onwezenlijk drama dat nauwelijks is te bevatten. Terwijl ik urenlang wacht op de mensen van PC Uitvaart, vraag ik me af waarom die huisarts wiens naam ik niet verstond niets vertelde over moeders ziekte, over de toestand van mijn moeder haar laatste dagen, wat de diagnose was, waarom hij die 4de april langs ging in de Michelangelostraat. Niets dan een kale mededeling over een geconstateerde dood. Waarom gaf die vent me geen seconde ruimte om naar adem te happen, om iets te zeggen, om vragen te stellen? De tranen wellen op achter m’n ogen en komen met een onbedwingbare druk naar boven. Hier klopt iets niet. Waarom gaf hij mijn moeder geen medicijnen toen ze ziek werd? Beelden van die enge dokter die mijn tante Mie in het kamp verminkte gaan door me heen. 

Ik bel de politie en vertel hen over het telefoontje van negen uur ‘s ochtends. Ik word meteen doorverbonden met de recherche. Een lijk gevonden in de Apollobuurt, het wordt zeer serieus genomen. 

De begrafenis zal een week later zijn. Die hele week ben ik non stop bezig met regelen, met overeind blijven, met ademhalen. Drie uur voor de plechtigheid begint, kijk ik in de make up spiegel of ik toonbaar ben in deze staat van shock, wachtend op de taxi die elk moment kan komen. Met die taxi ga ik eerst de vriendin van mijn moeder ophalen die ik na lang speurwerk vond. Een lieve vrouw op de President Kennedylaan met wie m’n moeder naar het Concertgebouw ging. Zij reageert geschokt op mijn telefoontje en voor het eerst hoor ik iemand praten over mijn moeder alsof het een gewone vrouw was. Een vrouw met vriendinnen met wie ze naar het Concertgebouw ging. Ik ben zo blij als een kind dat ik deze muziekvriendin op het spoor kwam. Met haar wil ik naar de begrafenis.

Terwijl ik in de spiegel staar, rinkelt de telefoon. Ik had zo’n grote rode telefoon met toetsen, een kronkelsnoer en een hele harde beltoon. Wie belt er nu nog? Alles was in een onwaarschijnlijke reeks van gebeurtenissen tot in de puntjes geregeld. Zou een ver familielid zich melden? Of een onbekende minnaar (want mijn moeder was ooit een stunning beauty). Een vergeten vriend of vriendin? We plaatsten advertenties in het NIW, de NRC en het Parool. Genoeg mensen bereikt. In die rouwadvertentie verenigde ik moeder met haar nichten die verspreid over het land wonen. Nichten die zo betekenisvol waren voor moeder ook al zag ze ze zelden. Zou toch nog een van de nichten of die ene neef in Maastricht zich melden voor de begrafenis? Mijn hart klopt van hoop als ik de hoorn oppak. 

Het is de huisarts. In woede briest hij dat het een schande is dat ik de politie belde. In zijn voortuin op de Apollolaan waren twee rechercheurs verschenen goed zichtbaar vanuit de wachtkamer. Hoe durf ik hem te beschuldigen, hoe kon ik zijn reputatie zo bezoedelen, wat was ik een slecht mens, zo ging hij maar door met zijn harde stem. Ik onderbreek hem en zeg “in deze stad zijn genoeg joodse vrouwen veel te vroeg gestorven”. Hij wordt stil. Ik herhaal “teveel joodse vrouwen zijn te vroeg gestorven” en voeg eraan toe dat ik in rouwkleding op de taxi wacht die me naar de uitvaart brengt. Hij mompelt iets en hangt op. Ik blijf in shock achter. 

Recherche op klaarlichte dag in zijn voortuin, ondervraging terwijl de patiënten wachten… Oei, ik had iets ontzettends stoms gedaan. Een vreselijk schuldgevoel welt in me op.

Maanden later, toen de verdoving van de rauwe rouw wat was weggetrokken, keek ik met voldoening terug op deze ‘shock and awe’ actie. Ikzelf was in shock en awe toen deze botterik belde met zijn onheilsmelding. Een anti-empathische vent die m’n moeder niet in leven had gehouden. Ik hoopte dat de recherche in vol ornaat was verschenen op zijn poenerige tuinpad.

Twee uur later zeg ik het kaddisj jatom, het gebed voor de doden in de aula van Westgaard voor mijn seculiere moeder en de acht aanwezigen bij de plechtigheid. Het gebed met het mooie ritme dat, in archaïsche woorden, met vreemde klanken het leven bezingt:

Jehé sjlama raba min sjemaja wechajiem alénoe weal kol Jisraeel we’imroe amen. Osé sjalom bimromav, hoe ja’asé sjalom alénoe weal kol Jisraeel weïmroe amen.

Moge er vrede uit de hemel komen en leven. Over ons en over heel Israel. Zeg dan: amen. Het Goddelijke dat vrede maakt in hoge sferen, zal ook vrede maken voor ons, voor geheel Israel, voor allen.

Mijn moeder brak in januari 1940 met het jodendom dat haar vader, Jacques Benoit Bloemgarten, voorzitter van de Joodse Gemeente in Heerlen, haar mondjesmaat meegaf. Suze Sarina besloot die januari het lidmaatschap van de zionistische studentenvereniging op te zeggen omdat zij zich ‘niet meer joods voelde’. 

Een paar maanden later marcheerden de Duitsers door de straten van Amsterdam. Achttien maanden later werd Suusje, zo werd ze genoemd, opgeroepen zich te melden bij de SD. Zij dook onder, werd misbruikt door de zoon van haar onderduikgevers, overleefde dankzij een moedige actie van haar vader die z’n dochter midden in de oorlog terughaalde naar Heerlen. 

Suze kwam ‘als een opgedoken Anne Frankje’ terug in Amsterdam, het ‘hongeroedeem om de lippen’ zo vatte zij zelf haar onderduiktijd samen. In de collegebanken bij de studie sociale geografie klemde zich vast aan een jongeman uit het studentenverzet. Gé, de jongeman, wist dat hij te weinig had gedaan om hun stads- en landgenoten te redden en smolt voor het kwetsbare meisje met het hongeroedeem nog om de lippen. Spoedig vertrok hij voor veldonderzoek naar het buitenland, maar uiteindelijk trouwden ze en kregen twee kinderen. Behalve aan deze man kon Suus zich aan niets en niemand meer hechten. Een kat wilde ze niet hebben ‘want die gaan toch maar dood’. Kinderen waren potentiële vriendinnen voor later. Alleen die ene man vertrouwde ze, de man die deze last niet lang kon dragen. 

Suze zou de dagen gekneusd en gepijnigd slijten, dagelijks huilend om het leed dat haar was overkomen en steeds weer overkwam. Die om de zenuwen te bedaren zoveel valiumpillen slikte dat haar brein werd aangetast. Ze werd steeds wantrouwender. Boven haar zeventigste werd zij paranoia en stootte mij, haar trouwe kind, als laatste van zich af. Na haar dood vond ik de kaartjes die ik bleef sturen, op haar verjaardag en voor het nieuwe jaar. Maar ik kon haar toorn, haar beschuldigingen van dingen die ik niet had gedaan, niet meer verdragen. 

Na die noodlottige vierde april troost ik me met de gedachte dat ik haar los kon zien van haar onmacht moeder te zijn. Dat ik in staat was haar tachtigste verjaardag voor te bereiden. Dat ik, bij wijze van spreken, zelf die limousine regelde voor het ‘familiediner’ met het kleine gezelschap dat nu zes weken eerder komt opdagen. 

Mijn hooggevoelige moeder die zo mooi Chopin vertolkt, die beter kan schrijven dan ik ooit zal kunnen, mijn moeder luisterde postuum naar de eeuwenoude zegening op het leven uit de etnisch-religieuze traditie die zij zover had weggestopt. Toen ik woord voor woord in mijn beperkte Hebreeuws het kaddisj jatom uitsprak wist ik dat op dat moment haar ziel was teruggekeerd naar haar eigen moeder de lieve Nettie Bloemgarten Meijers, haar vader de flamboyante Jacques Benoit, naar haar in Auschwitz vermoorde oom Sylvain, naar haar moedige neef Felix die boven Normandië werd neergeschoten als RAF-piloot, naar al die mensen die haar lief hadden, met wie zij musiceerde, naar haar grote liefde mijn vader die haar vijftien jaar eerder was voorgegaan in de bundel van het eeuwige leven. 


Amsterdam, zondag 4 april 2021

foto: Suze Sarina (in lichte jurk) temidden van haar nichten – datum onbekend

Over Bloom 32 Artikelen
Achter Bloom gaat Wanda F Bloemgarten schuil. Socioloog en wetenschapsjournalist. Mede-oprichter Beit Ha'Chidush, Villa Mazzelsteijn en Cohen&Co. Liefhebber van Carlebach-stijl diensten, street-art en minimal music. Lid van NIHS/Amos en drie tennisclubs. Eindredacteur van dit online magazine.

11 Comments

  1. Dank voor dit persoonlijke, ontroerende en ook schrijnende verhaal, dat een goed voorbeeld is van 1G- en 2G-problemen “in a nutshell”.

  2. Mijn G-d Wanya, wat een geschiedenis. Scherp en ontroerend opgeschreven. Dat talent heb je dus van je moeder meegekregen.

  3. Hartverscheurend hoe diep de wonden van de holocaust generaties lang blijven dooretteren …😓 ..Suusje….wat een verhaal toch weer…en zo analytisch liefdevol begrijpend maar tegelijk ook zo verlangend naar dat ene zuchtje van moederliefde beschreven .

  4. Ben blij dat ik de tijd heb genomen om een rustig moment te vinden om dit stuk te lezen. Een stuk met lev.

Laat een antwoord achter aan Jan Verbiest Antwoord annuleren

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*