Deel 7: Moet papa daar op wachten?

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Print Friendly, PDF & Email

De opperrabbijn ziet mijn boze gezicht. ‘Simon, er komt een dag dat het weer allemaal goed komt’.

18 oktober 1936

Vandaag moet het er toch echt van komen. Rousj Hasjono1, Jom Kippoer2, de feestdagen liggen weer achter ons. De jaarlijkse ‘herfstmanoeuvres’ zoals papa ze noemt, hebben zoals elk jaar hun stempel op de afgelopen weken gedrukt. Veel naar sjoel, bij opa en oma eten, op bezoek bij tante Selma in Oost. En natuurlijk op de brug bij het weeshuis ‘tasjlig’3 zeggen met al die honderden mensen. Opa heeft ieder jaar hetzelfde grapje. ‘Kijk Simon’, zegt hij wanneer we op de brug staan, ‘zie je dit? Op deze dag ziet het hier elk jaar blauw van de mensen!’ Daarom heet de brug ook de ‘Blauwbrug’.

Vanochtend zat ik weer bij rebbe Koster in de klas. Het was de eerste les na al die feestdagen. Vlak voor Jom Kippoer was ik al naar zijn huis gegaan, hij woont om de hoek bij Artis. Doodsbang heb ik bij hem aangebeld. ‘Meneer Koster, ik, ik moet u mijn excuses aanbieden. Het spijt me heel erg wat ik heb gedaan. Echt, ik beloof u dat ik nooit meer zoiets stouts in uw klas zal doen.’ Meneer Koster keek me eerst zo boos aan dat ik op het punt stond om me om te draaien en hard weg te rennen. Maar ineens kwam er een vage glimlach op zijn gezicht. Hij deed zijn best om die glimlach meteen weer te verbergen. ‘Ja, jongen. Dat was echt een kwajongensstreek. En ik kon je niet eens een mep geven met dat stokje door die vermaledijde spelden. Het was echt een gotspe!’ Ik voelde hoe ik weer helemaal rood kleurde. ‘Ik zal het echt niet meer doen, echt niet!’ En toen stak rebbe koster ineens zijn hand uit. ‘Geef me de vijf en van nu af aan let je goed op in de les. Beloof je dat?’ Ik knik. ‘Goed, dan is het vergeven en vergeten’. ‘Eh, rebbe Koster, is uw hand weer beter?’ Nu verscheen er inderdaad een brede glimlach op zijn gezicht. ‘Ik zeg toch vergeven en vergeten?’ Terwijl hij zijn ene uitgespreide hand voor mijn gezicht houdt aait hij met zijn andere hand over mijn hoofd. ‘Simon, ik zie dat je gewoon een lieve jongen bent, goed opgevoed door jouw vader en jouw moeder. Blijf je best doen. Dan komt het allemaal goed met jou. Geef je je ouders de groeten van mij?’ Nog voor dat ik de gelegenheid had om te zeggen dat dat niet kon, ik had papa en mama nooit iets verteld over het rietje, de spelden en het kolenhok, sloot rebbe Koster de deur.

Met mijn vinger wijs ik in mijn choemesj bij. Al twee keer kreeg ik een beurt om een zin te herhalen. En iedere keer knikt rebbe Koster goedkeurend. Ik kom er achter dat, als ik goed oplet, de tijd ook veel sneller gaat. Voor dat ik het besef slaat de klok buiten één uur. Even later sta ik op straat.

Bakker de Liever heeft deze week geen kadetjes meer over van vrijdag. ‘Ja, in deze moeilijke tijd moet ook de bakker zuinig zijn. Het meel is duur en de klanten zijn vaak ‘gesjochten4. Ze hebben geen cent te makken. Dus moet ook de bakker oppassen dat ie niet meer bakt dan ie kan verkopen.’ De teleurstelling is kennelijk van mijn gezicht te lezen. ‘Nou jongen, trek maar niet zo een ponem5.’ De bakker trekt een quasi boos gezicht. ‘Als Kodesj Boroech Hoe6 niet op zijn kostgangers past zal Bakker de Liever dat wel doen’. Hij trekt een van de grote trommels van de plank achter de toonbank. Even later sta ik op de stoep met een papieren zak met twee heuse gemberbolussen er in. Ik neem meteen een stevige hap. De gember is scherp en brand op mijn tong. Maar dat heb ik voor deze lekkernij graag over.

Ik moet aan de slag. Vandaag gaat het gebeuren. Eerst naar de opperrabbijn. Soms zie ik op zondagmiddag de opperrabbijn in de buurt van de Grote Sjoel lopen. Hij is dan op weg naar Minche7. Het is maar een paar deuren verder dan de bakkerij. Vóór Minche lijkt me nu niet zo een goed moment om de opperrabbijn aan te spreken. Hij wil dan op tijd in sjoel zijn. Dan maar beter op de stoep wachten tot hij weer naar buiten komt.  Ik zie wel andere heren naar binnen gaan voor de dienst, maar de man die ik wil spreken zie ik nog niet komen. Misschien is hij al binnen. Ongeduldig loop ik heen en weer over de brug in de Weesperstraat totdat iedereen naar buiten komt. Ja, ik heb geluk. De opperrabbijn komt de stoep af. Wel slaat hij linksaf, in de richting van Muidergracht. Hij komt dus niet mijn kant uit, ik zal hem in moeten halen.

Het koor van de Grote sjoel

Hoe vaak ik in mijn hoofd al niet heb herhaald wat ik tegen de opperrabbijn ga zeggen. Maar op dit moment ben ik het even helemaal kwijt. Met welke zin wilde ik mijn verhaaltje ook alweer beginnen? De opperrabbijn staat stil bij de poort van dat grote park dat Hortus heet en dat al heel oud is. Veel geleerde mensen gaan daar op zoek naar bomen of planten die je nergens anders ziet. Dat heeft mama me verteld. Zelf ben ik er nog nooit binnen geweest. De opperrabbijn strijkt over de blaadjes van een laaghangende tak naast de ingang. Hij schuift zijn bril naar boven, deze blijft steken op zijn voorhoofd, en brengt de blaadjes dichter bij zijn gezicht. Wat zou de opperrabbijn zoeken? Misschien weet hij ook wel heel veel van bomen en bloemen. Hij is heel geleerd, zegt papa altijd. ‘Meneer, meneer, opperrabbijn!’ De opperrabbijn kijkt op en fronst meteen zijn wenkbrauwen. Zijn bril valt pardoes naar beneden en landt op zijn neus. ‘Ja, ja, riep jij mij?’ Hij kijkt mij streng aan. ‘Waarom roep jij mij? Wat wil jij van mij?’ ‘Ik wil u niet storen, u bent druk bezig, maar…  Het is belangrijk wat ik u wil vragen.’ Ik hoor mezelf stamelen terwijl de opperrabbijn mij streng aankijkt. ‘U bent geloof ik druk bezig’. Ik wijs op de blaadjes in zijn hand. ‘Ja, inderdaad ben ik druk bezig. Mijn collega rabbijn Copenhagen vertelde mij zojuist in sjoel dat deze boom, bij de ingang van de Hortus, de Acacia Raddiana moet zijn. Ik ben zelf nog niet helemaal overtuigd. Alhoewel de blaadjes wel de juiste vorm hebben. Alleen, en dat kan ik hier niet zien, de Acacia Raddiana moet heel diepe wortels hebben.’ De opperrabbijn duwt zijn bril nu wat steviger op zijn neus. ‘Maar hiervoor riep jij mij vast en zeker niet. Vertel mij eerst eens wij jij bent. Hoe heet je? Hoe heet jouw vader?’ Voorzichtig steek ik mijn hand uit. De opperrabbijn pakt deze vast. Ik trek mijn pet van mijn hoofd. ‘Ik ben Simon van Gelder. Mijn vader heet van zijn voornaam Herman.’ Ik zet mijn pet weer terug. Heel langzaam gaat het hoofd van de wijze man op en neer. ‘Herman van Gelder, Herman van Gelder’. Vragend kijkt hij mij aan. ‘Mijn vader werkte voor meneer Asscher van de diamantfabriek. Hij zag u vaak in de Grote Sjoel. Mijn vader zong met de chazzen8 in het koor.’ Nu gaat het hoofd van de opperrabbijn wat vlugger op en neer. ‘Ja, ja, ik weet het weer.’ De man bekijkt mij van top tot teen. Hij moet zien dat mijn jasje al oud is en mijn broek twee keer versteld is. ‘Ik zie jouw vader de laatste tijd nooit meer in sjoel. Waarom is dat?’ ‘Daarom ben ik u ook achterna gegaan’. De opperrabbijn wenkt mij om verder te gaan met mijn verhaal. ‘Mijn vader werkt niet meer bij Asscher. Er is geen werk meer voor hem. Daarom zit hij nu in het behang. En mijn moeder werkt nu bij Kattenburg. Zij naait regenjassen. Mijn vader mag niet meer in de Grote Sjoel komen. Die is alleen voor de rijke mensen.’ De opperrabbijn kijkt wat hulpeloos om zich heen. Het lijkt wel of hij niet precies weet wat hij mij moet vertellen. Ik kijk hem aan. ‘Kunt u zorgen dat mijn vader weer naar de Grote Sjoel mag? En dan weer in het koor kan zingen? Hij is een tenor, of zoiets.’ Zo. Ik heb mijn boodschap gedaan. Nu moet de opperrabbijn van de sjoel maar laten zien wat hij kan doen. ‘Jongeman, hoe heet je ook alweer?’ ‘Simon, Simon van Gelder’. ‘Simon, ja. Er zijn heel veel mensen die hun werk verliezen. Het gaat niet zo goed in ons land. Er lijken steeds meer arme mensen bij te komen. Daar kan ik ook niets aan doen. Die grote Sjoel heet dan wel Grote Sjoel, maar zo groot is ie niet. Er zijn nogal wat rijke en voorname mensen die betalen om in die sjoel te kunnen oren.9 Voor hen is een plaats gereserveerd. Maar dat kan lang niet voor iedereen die daar naar toe zou willen. Jouw vader kan er nu niet meer voor betalen. Tja, dan kan hij daar dus ook niet meer oren en moet hij naar een andere sjoel gaan. Voor de wat gewonere mensen. Daar is dan wel geen koor. Maar oren kun je daar ook? Nietwaar?’

Ik kijk de opperrabbijn kwaad aan. Als je dus ‘gesjochten’ bent hoor je er niet meer bij. De opperrabbijn ziet mijn boze gezicht maar wijst op de boom waarvan hij zojuist de blaadjes in zijn hand hield. ‘Simon, er komt een dag dat het weer allemaal goed komt. “En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van de Eeuwige uitgaan, en zal het dal van de Acacia’s bewateren10 zegt de profeet. Dan zal jouw vader weer genoeg verdienen en zal hij opnieuw als tenor in het koor zingen, in de Grote Sjoel’. Met open mond staar ik naar de opperrabbijn. Moet papa daar op wachten? De opperrabbijn zet zijn hoed wat steviger op zijn hoofd, draait zich om en loopt verder de Muidergracht op. Ik ben woedend. Maar ook tevreden met mezelf. Ik heb gedaan wat ik wilde. Ik heb de opperrabbijn laten weten dat ze papa niet zonder meer de sjoel uit kunnen sturen.

(Wordt vervolgd)


1 Joods Nieuwjaar

2 Grote Verzoendag

3 Gebed dat tijdens het Nieuwjaar aan de waterkant wordt uitgesproken

4 Arm

5 Gezicht

6 De Eeuwige, Geheiligd is Hij

7 Het Middaggebed

8 Voorzanger

9 Bidden

10 Joel 3:18

Over Lody van de Kamp 36 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*