Deel 2: Nog net voor Sjabbes

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Print Friendly, PDF & Email

Augustus 1936

Vanuit mijn bed hoor ik het gerammel van papa’s fietsslot. Dat betekent dat er voor hem nog meer te doen is op de late avond. Iets wat wel vaker gebeurt, papa heeft in de avond een bijbaantje bij de chewre1. Wanneer iemand is overleden moet hij in de buurt witte kaarten met een zwarte rand rondbrengen waarop staat van wie en wanneer de lewaje2 is. Hopelijk komt papa vannacht niet zo laat naar huis. Morgen is het vrijdag en moet hij alweer vroeg in verfpakhuis van meneer Polak op de Valkenburgerstraat  zijn. Daarvóór, als het nog donker is, helpt ie vaak ook nog op vrijdag kramen opzetten op de markt.

Ik weet niet hoelang ik heb geslapen. De alarmbel van de brandweerkazerne verder op de gracht gaat af. Ik kruip uit mijn bed en loop naar het raam. In de kazerne branden alle lampen. De autospuit wordt door de deuren naar buiten gereden. Brandweerlieden klimmen met de helm nog in hun hand boven op de spuit. Vier man aan de ene kant en vier aan de andere kant. Zwaar grommend  rijdt  de wagen de gracht af, de sirene begint te huilen, om even later de Weesperstraat in te rijden. Langzaam sterft het geluid weg.

Ook voor mij is het iedere vrijdag vroeg op. Mama vertrekt al om zes uur naar haar werk op Kattenburg waar ze net als de rest van de week  de hele dag achter de naaimachine zit. Omdat ze voor sjabbes thuis wil zijn begint ze vrijdags extra vroeg.

Oma komt dan tijdig in de ochtend langs om Jaap en Brammetje aan te kleden en pap te voeren. Ik eet gauw mijn twee boterhammen op, lever mijn twee broertjes af bij de Bewaarschool op de Rapenburgerstraat en ren snel terug naar mijn eigen school. Soms protesteer ik dat ik hen tweeën helemaal weg moet brengen. Naar het Rapenburg duurt tien minuten. En dan ook nog eens tien minuten terug. Terwijl ik voor mijn eigen school  eigenlijk alleen maar de trap hoef af te rennen om twee minuten later in de klas te zitten, hier beneden op de Gracht. ‘Simon, jij bent de oudste. Mama begint al met werken voor dat jij nog bent opgestaan. Je weet dat ik vroeg in het pakhuis  moet zijn op vrijdag. En oma komt ook al voor dag en dauw met de tram hier naar toe om de jongens klaar te maken’, bromt papa. En dan zwijg ik maar weer. Zo erg is het ook helemaal niet. Juffrouw Sohlberg staat de jongens altijd bij de deur op te wachten, geeft mij een kneep in mijn wang. ‘Zo grote broer, ik zal goed op de jongeheren passen. Alvast goed sjabbes’. Zij loopt met de kleintjes aan de hand naar binnen. Tien minuten later buig ik me over mijn sommen of het leesboek.  

Vandaag is in de bank vóór mij één plaats leeg. Jopie is er niet. Zou hij alweer spijbelen?

Zwijgend sta ik naast papa op de gracht. Het lijkt wel of de hele buurt zich hier op de smalle stoep aan het water heeft verzameld. Twee portieken van ons vandaan gaat de deur nu open. Eerst komen twee mannen met hun hoge hoeden op naar buiten. Daarna wordt de houten kist naar buiten gedragen. Gevolgd door nog  meer hoge hoeden. Het zwarte kleed dat op de kist ligt wordt zorgvuldig rechtgetrokken en de stoet zet zich in beweging. Buurman loopt direct achter de kist. Mijn buurmeisjes en buurjongetjes volgen hem en houden elkaars handen vast. Aan hun gezichten kan ik zien dat ze gehuild hebben. Menno, Evelientje, Iesje, Roosje, Ellie en ja, ook mijn vriendje Jopie is er nu. Ze zijn er alle zes. Op de kaarten die papa gisteravond zo laat moest rondbrengen stond dus dat vanmiddag de lewaje van buurvrouw Schelvis is. Verder op de gracht wacht de koets met zwarte paarden er voor. Papa kijkt op zijn horloge. ‘Het is wel laat. Over een uur of drie begint sjabbes’ fluistert hij.

Rebbe Gompers leest hardop voor uit zijn tefille3. Iedereen loopt stilletjes achter de familie aan totdat de kist bij de koets is aangekomen. Ik probeer de aandacht te trekken van Jopie. Maar hij staart alleen maar naar de grond. De mannen met de hoge hoeden zetten de kist op de wagen. De zweep knalt in de lucht en we horen het geratel van de wielen en het geklepper van de hoeven op de keien. Papa draait zich om. ‘Kom, we moeten nu naar boven. Mama komt zo  thuis van het werk. Er moet nog gedweild worden voor sjabbes.’

(Wordt vervolgd)


1 Begrafenisvereniging

2 Begrafenis

3 Gebedenboek

Deel dit artikel.
Over Lody van de Kamp 19 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*