Beshalag – de worsteling

Print Friendly, PDF & Email

In de afgelopen twee weken lazen we over de Tien Plagen.  Na honderden jaren slavernij komt er onverwacht een einde aan de Egyptische ballingschap – volgens de Tora na 430 jaar (Sjemot 12:40). Dat is best een chronologisch probleem omdat de bijbelse Levi behoort tot degenen die verhuizen naar Egypte, en zijn achterkleinkind Mosjé is (Levi-Kehat-Amram-Mosjé) die uit Egypte trekt wanneer hij rond de 80 is. Hoe passen vier generaties in 430 jaar? Vandaar dat de rabbijnen stellen dat de échte slavernij in Egypte slechts 210 jaar was en dat die 430 jaar terugverwijzen naar de periode van de aartsvaders in Kenaän. Ook zij trokken immers van plek tot plek en waren niet de baas in het land maar afhankelijk steeds van de gunsten van de oorspronkelijke bewoners – ook een soort ballingschap dus. Nu het juiste moment is aangebroken zal men zo snel mogelijk het land Egypte verlaten.

De Parasja Besjalach (Sjemot 13:17–17:16) vertelt hoe de Uittocht concreet plaatsvindt en hoe men richting het beloofde land zou trekken. Maar de opening stelt ons echter direct voor een probleem. “En het was toen de Farao het volk wegstuurde ..”. Was het niet logischer om te schrijven: “En het was toen God zijn volk uitvoerde”, et cetera? Tegelijkertijd vervolgt het vers met “en God leidde hen niet door het land van de Filistijnen” – God leidt het volk dus blijkbaar wel. De Parasja raakt dan ook aan de spanning tussen de hand van God en mensenwerk. God leidt de Israëlieten, maar Mosjé doet ook zijn deel met zijn staf, die echter eerder Gods staf werd genoemd.

Ook in het verdere verloop blijft deze spanning aanwezig. Want de finale lijkt nu echt in zicht te komen – Farao geeft toch niet op en jaagt zijn voormalige slaven achterna met zijn troepen en strijdwagens. Wanneer Israël klem gezet wordt door het Egyptische leger met als enige vluchtroute de zee voor hen (14:9), begint de wanhoop toe te slaan. “Waarom heb je ons hier naar toe gebracht”, gilt men tegen Mosjé. Beter slaaf, dan dood in de woestijn! (14:11-12). En wanneer Mosjé intens met God spreek over de ontstane situatie, is het antwoord duidelijk: “Wat schreeuw je tegen Mij – zeg tegen de Israëlieten dat ze (verder)  optrekken!” (14:15). Geen woorden, maar daden.

Het plan om de Egyptenaren in zee te lokken lijkt te lukken… Na een spannende nacht (14:20) strekt Mosjé zijn hand met de staf over de zee uit, waarna een sterke oostenwind de hele nacht door waait en de zee splijt. In de vroege ochtenduren lopen de Israëlieten op de droge zandgrond waar nog maar enkele uren eerder nog de zee was. Wanneer de Egyptenaren hen achtervolgen, strekt Mosjé opnieuw zijn hand met de staf over de gestolde watermassa’s uit – als ‘twee muren-links en rechts’ schrijft de tekst – zodat het water alle Egyptenaren overstroomt – de Israëlieten ondertussen veilig aan de overkant. Wanneer zij het wonder achter hen aanschouwen, klinkt een bevrijdend lied uit miljoenen kelen.

De rest van de Parasja blijft worstelen met de verhouding tussen menselijke inspanning en Gods hulp. Neem bijvoorbeeld dan bittere water van Marah (15:23) dat bitter is (mar). Maar met het juiste (Goddelijke) inzicht kan de mens het water weer zoet maken – een verwijzing naar de Tora, de Levensboom uit het Paradijs die de echte oplossingen biedt, en niet die andere boom die alleen ondermaanse kennis geeft… En God is de geneesheer, maar toch heb je dat zelf ook in de hand door de geboden van de levens- gevende Tora te volgen (15:26). Want Tora gaat ook over het goede leven. Dan het manna (h. 16) dat symboliseert aan de ene kant vertrouwen – maak je geen zorgen voor het brood van morgen. Aan de andere kant moet je wel elke dag er op uit gaan om het manna te rapen en thuis te brengen. En wanneer men twijfelt dan komt Amalek – de getallenwaarde van Amalek is dezelfde als van twijfel (safek), 240. Maar ook hier biedt de menselijke actie in combinatie met Goddelijke hulp, uitkomst. Toch zal de mens grote delen van de verdere geschiedenis het zonder de duidelijke hand van God of zijn hulp moeten doen. De mens kiest zelf zijn pad met alle positieve en negatieve gevolgen van dien. De wonderen bewaard men voor de messiaanse tijd. Hoewel daar ook niet iedereen het over eens is. Het leven blijft een uitdaging…

Deel dit artikel.
Over Leo Mock 8 Artikelen
Volgde een opleiding aan een jesjiwa (Talmoedhogeschool) in Israël, studeerde Joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit en oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). In december 2015 promoveerde hij cum laude aan de Tilburg University op een proefschrift, getiteld 'Het begrip Ruach Ra'a in de rabbijnse responsaliteratuur van na 1945: een case study in de relatie tussen kennis over de fysieke wereld en traditionele kennis'. Leo heeft verschillende publicaties over jodendom op zijn naam en is betrokken bij het tijdschrift Tenachon, een uitgave van PaRDeS, een stichting die zich inzet voor het ontsluiten van Joodse bronnen voor een Joods en Christelijk publiek en het bevorderen van de interreligieuze dialoog. Hij is docent judaica aan de Tilburg University en bij Joods Educatief Centrum Crescas. Sinds 2012 is hij adviseur Joodse Zaken van Beth Shalom.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*