Wa’era

beeldmerk Parasja
Print Friendly, PDF & Email

In de parasja van deze week stuurt God Mosjé op een dubbele missie: hij moet de Hebreeërs moed inspreken en ze herinneren aan de oude beloftes die God deed aan de aartsvaders. Mosjé doet een voorspelling over de aanstaande verlossing uit de slavernij van Egypte en de uiteindelijke intocht in het land Israël / Kenaän – een herhaling van het visioen van Awraham honderden jaren eerder, dat zijn nakomelingen eerst een moeilijke tijd in Egypte zullen doormaken, maar daarna met grote rijkdom dat land verlaten en Israël als bezit en erfgoed krijgen. Maar Mosjé moet ook naar Farao gaan en hem opdracht geven, uit naam van God, om de Joden te laten gaan. Mosjé gaat meteen aan de slag maar de Joden hebben weinig oren voor zijn mooie verhalen: ‘maar zij luisterden niet naar Mosjé omdat ze weinig adem hadden en door het zware werk’ (6:12). Mosjé ziet zijn missie aan Farao al helemaal niet meer zitten: ‘Als de Joden (de kinderen Israël) al niet naar me luisteren, hoe zal Farao dan wel naar me luisteren?!’ Volgens de rabbijnen hanteert Mosjé hiermee overigens het principe van logica en is dit daarom een legitieme manier om de Tora te interpreteren (de kal we-chomer). Bovendien vindt hij zichzelf een slecht spreker: “Ik ben gesloten van lippen” (6:12 ).

Mosjé geeft hier dus twee argumenten voor het mislukken van zijn opdracht. Ten eerste is het verlossen van het Joodse volk een onbegonnen zaak. Ze staan helemaal niet open voor de boodschap van verlossing. Ze zijn zowel fysiek als geestelijk zo gebroken door de toestand waarin ze zich bevinden, dat ze geen sprankje hoop en verlossing kunnen zien. Wie diep in de ellende zit, kan vaak geen nieuwe informatie in zich opnemen, zoals ook bekend is van mensen met een depressie of in een crisissituatie. Tegen zo iemand zeggen dat ze ‘de zaken eens wat zonniger moeten inzien, blij moeten zijn me wat ze hebben, et cetera’ heeft weinig zin. Het is namelijk eigen aan een depressie om alles zwart en somber in te zien. En als dat al bij de slachtoffers zo is, zal Farao – die al helemaal geen belang heeft bij het vertrekken van zijn slaven – dan wel openstaan voor de boodschap van verlossing?! En wanneer je niet in staat bent om een boodschap mondeling goed te verpakken – je hebt slechte communicatieve vaardigheden – vanwege een beperkt uitdrukkingsvermogen, dan kan je het al helemaal vergeten. God luistert wel naar Mosjé maar zegt dat hij gewoon moet doorgaan. De oplossing is dat Mosjé assistentie krijgt van zijn broer Aharon die het spraakprobleem moet oplossen (6:13). Wie niet in zichzelf gelooft, kan anderen niet de weg wijzen.

En na een reeks wonderbaarlijke rampen – de Tien Plagen – weet Mosjé wel door te dringen tot het bewustzijn van de Joden, die langzaam begrijpen dat hun situatie niet onveranderbaar is. Zo wordt het volk Israël verlost uit zijn ellende, en ook Mosjé wordt verlost van zijn beperkingen — hij wordt de leider van een bijzonder volk met een bijzondere taak. Van een wat schuchtere man, die opgroeide aan het Egyptische hof, tot een empathische leider en profeet. Verlossing begint bij hoop, soms tegen beter weten in. Vandaar dat God zijn eigen naam als ‘Ehjeh’ omschrijft: ‘Ik zal (er) zijn’ (3:14) — de toekomstige tijd van het werkwoord zijn [lihjot]. Want wie over de toekomst durft na te denken, ondanks zijn huidige ellende — die is bezig aan een weg omhoog, en werkt mee aan zijn eigen verlossing. Maar zover zijn we deze week in Wa’era nog niet. In deze Parasja zullen zeven van de tien plagen op Farao en de Egyptenaren losgelaten worden – de finale komt in de parasja van de komende twee weken.

(Deze parasja verscheen in iets andere vorm in In de Marge van de Parsje – notities bij de wekelijkse Tora-lezing, Amphora Books-Amsterdam, 2008).

Over Leo Mock 9 Artikelen
Volgde een opleiding aan een jesjiwa (Talmoedhogeschool) in Israël, studeerde Joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit en oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). In december 2015 promoveerde hij cum laude aan de Tilburg University op een proefschrift, getiteld 'Het begrip Ruach Ra'a in de rabbijnse responsaliteratuur van na 1945: een case study in de relatie tussen kennis over de fysieke wereld en traditionele kennis'. Leo heeft verschillende publicaties over jodendom op zijn naam en is betrokken bij het tijdschrift Tenachon, een uitgave van PaRDeS, een stichting die zich inzet voor het ontsluiten van Joodse bronnen voor een Joods en Christelijk publiek en het bevorderen van de interreligieuze dialoog. Hij is docent judaica aan de Tilburg University en bij Joods Educatief Centrum Crescas. Sinds 2012 is hij adviseur Joodse Zaken van Beth Shalom.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*